Vorige week steeg het reproductiegetal van het coronavirus weer boven de 1. Maar wat betekent dit nou precies en hoe wordt dit getal berekend?

Op 18 februari staken 100 met het coronavirus besmette personen gemiddeld 104 anderen aan. Het reproductiegetal, ook wel R-waarde genoemd, was namelijk 1,04.

Het RIVM publiceerde dit getal afgelopen vrijdag. De dinsdag daarvoor maakte het instituut al bekend dat het reproductiegetal voor het eerst sinds half december boven de 1 was gekomen.

Meerdere NU.nl-lezers vragen zich af hoe dit getal is berekend. Sommige lezers noemen de R-waarde zelfs een "verzonnen getal dat op vrij weinig is gebaseerd".

Wat is de R-waarde?

Waarom willen we de ontwikkeling van het reproductiegetal eigenlijk bijhouden? De R-waarde is belangrijk om te bepalen of het coronavirus aan een opmars bezig is of juist niet. Is de R-waarde 1, dan steekt iedere besmette persoon gemiddeld één ander aan. Als het reproductiegetal onder de 1 is, dan neemt het aantal nieuwe besmettingen af en dooft de uitbraak uit. Zit de R-waarde boven de 1, dan neemt het aantal nieuwe besmettingen toe en laait de uitbraak juist op.

Voor het schatten van de R-waarde heb je meerdere gegevens nodig. Zo moet je weten wanneer positief geteste mensen voor het eerst klachten kregen. Ook moet je weten hoeveel dagen er doorgaans zitten tussen het moment waarop iemand klachten kreeg en het moment waarop degene die hem of haar aanstak klachten kreeg. Bij het coronavirus gaat het volgens het RIVM om ongeveer vier dagen.

Waarom weten we de R-waarde van dit moment niet?

Met deze gegevens kun je gaan rekenen. Hoe dit werkt, leggen we uit met een versimpeld rekenvoorbeeld. De cijfers in dit voorbeeld zijn verzonnen. Stel dat tweehonderd positief geteste mensen naar eigen zeggen op 18 februari voor het eerst klachten hadden die bij COVID-19 passen. Ook zijn er vierhonderd positief geteste personen die zeggen dat ze op 22 februari - dus vier dagen later - voor het eerst klachten kregen.

In dit fictieve voorbeeld is het aantal mensen met klachten in vier dagen tijd dus verdubbeld. Daarom komt het reproductiegetal voor 18 februari op 2 uit. De tweehonderd mensen die op 18 februari klachten kregen, besmetten gemiddeld twee andere mensen. Hierdoor hadden vierhonderd mensen op 22 februari voor het eerst klachten.

Dit verzonnen voorbeeld laat ook zien waarom het onmogelijk is om het reproductiegetal van dit moment te berekenen. Om de R-waarde van een bepaalde datum te berekenen, heb je ook altijd gegevens van vier dagen later nodig. Bovendien zal in de praktijk niet iedereen zich gelijk op de eerste ziektedag laten testen en kost het tijd om een testafspraak te maken, de test te analyseren en de testuitslag door te geven aan het RIVM.

Controle door aantal opnames

Als opeens veel meer of juist veel minder mensen zich laten testen, kan dit invloed hebben op het reproductiegetal dat je op deze manier berekent.

Daarom rekent het RIVM het reproductiegetal ook op een andere manier uit. Dat doet het instituut op basis van het aantal ziekenhuisopnames en ic-opnames. Als er een toename van het aantal ziekenhuisopnames is, is dit een sterke aanwijzing dat er een aantal dagen daarvoor een toename van het aantal besmettingen was.

Het voordeel van deze methode is dat deze ziekenhuiscijfers niet worden beïnvloed door het aantal mensen dat zich wel of niet laat testen. Een nadeel is dat er veel minder mensen in het ziekenhuis worden opgenomen dan dat er personen positief getest worden. Hierdoor kun je het reproductiegetal minder precies berekenen.

Het reproductiegetal, op basis van besmettingscijfers, lag op 4 februari tussen 0,92 en 0,98. De waarschijnlijkste waarde was 0,95. Dit cijfer was in lijn met het reproductiegetal dat werd berekend op basis van ziekenhuisopnames. Volgens deze berekening lag de R-waarde namelijk tussen 0,85 en 1,17.

Hoe bereken je de R-waarde van andere coronavirusvarianten?

Sinds een aantal weken krijgen we niet alleen informatie over het reproductiegetal van het coronavirus in het algemeen, maar ook over de R-waarde van de Britse en Zuid-Afrikaanse variant. Deze cijfers komen anders tot stand dan hierboven is uitgelegd. Dat komt doordat je bij een normale positieve coronatest niet kunt zien met welke variant je te maken hebt. Hiervoor moeten de in de GGD-teststraten genomen monsters extra worden onderzocht. Iedere week worden het keel- en neusslijm van zo'n duizend willekeurig uitgekozen personen geanalyseerd op varianten.

Op basis van de verhoudingen die daaruit naar voren komen en het totale aantal positieve tests wordt de R-waarde van zorgwekkende varianten geschat. De Britse variant had op 12 februari een R van 1,26. Dit betekent dat 100 met de Britse variant besmette personen gemiddeld 126 anderen aanstaken.

Zo wordt de effectiviteit van een coronavaccin bepaald
74
Zo wordt de effectiviteit van een coronavaccin bepaald