De GGD vindt bij ruim de helft van de mensen die besmet is met het coronavirus de vermoedelijke infectiebron. Wat betekent dit, en wat is er verder bekend over de resultaten van het coronavirustestbeleid sinds 1 juni?

Sinds 1 juni kan iedereen die klachten heeft die passen bij COVID-19 zich bij de GGD laten testen op het coronavirus. Sjaak de Gouw, directeur publieke gezondheid GGD en GHOR, lichtte donderdag in een technische briefing in de Tweede Kamer toe hoe het testen nu in zijn werk gaat en wat het bron- en contactonderzoek oplevert.

Het bron- en contactonderzoek vindt plaats zodra iemand besmet blijkt en wordt uitgevoerd om te achterhalen waar iemand mogelijk geïnfecteerd is geraakt en wie er nog meer besmet kunnen zijn geraakt met het coronavirus.

Wat blijkt uit het brononderzoek?

De Gouw vertelde dat bij ruim de helft van de mensen die besmet is met het coronavirus kan worden achterhaald waar iemand vermoedelijk het virus heeft opgelopen. De bron van besmetting wordt onderzocht door middel van interviews met mensen die besmet zijn geraakt. Zo wordt aan de geïnfecteerde gevraagd waar hij of zij de afgelopen veertien dagen allemaal is geweest. Soms is iemand op zo veel plekken geweest dat er geen vermoedelijke bron van besmetting kan worden vastgesteld. Soms zijn er een paar vermoedelijke bronnen van besmetting, deze worden dan allemaal geregistreerd.

De meest geregistreerde vermoedelijke bron van besmetting is een huisgenoot. Dit wordt bij 48 procent van de positief geteste personen als vermoedelijke bron genoemd. Daarnaast wordt in 17 procent van de gevallen verwacht dat een familielid dat niet in hetzelfde huis woont de bron van besmetting is. In 14 procent van de gevallen wordt het werk als vermoedelijke bron genoemd.

Mensen die waarschijnlijk op werk besmet zijn geraakt met het coronavirus, zijn voor een groot deel mensen die in de zorg werken en mensen die met dierlijke producten werken. Dit laatste is te verklaren door COVID-19-uitbraken in meerdere slachthuizen.

Wat blijkt uit het contactonderzoek?

De GGD wil, als je COVID-19 hebt, ook weten wie jij mogelijk hebt geïnfecteerd met het coronavirus. Om deze reden vraagt de GGD je bij een positieve test met wie je allemaal contact hebt gehad vanaf 48 uur voordat je de eerste klachten kreeg.

Mensen met klachten die via het contactonderzoek worden opgespoord, testen zelf vaak positief. Van deze groep blijkt 13,8 procent het coronavirus te hebben.

Mensen die in contact geweest zijn met iemand die het coronavirus heeft, hoeven zich op dit moment alleen te laten testen op het coronavirus wanneer ze zelf klachten ontwikkelen. De GGD onderzoekt of het nuttig is om sommige contacten al eerder te testen.

De GGD maakt een onderscheid tussen huisgenoten, nauwe contacten en overige contacten. Nauwe contacten zijn personen die niet in hetzelfde huis wonen, maar waarbij je wel langer dan vijftien minuten geen 1,5 meter afstand hebt gehouden of waar je bijvoorbeeld mee hebt gezoend. Huisgenoten en nauwe contacten vraagt de GGD om veertien dagen niet naar buiten te gaan. Andere contacten moeten alleen alert zijn op klachten.

Afname aandeel positief geteste personen

Van alle mensen die zich laten testen op het coronavirus, test een steeds kleiner gedeelte ook daadwerkelijk positief. In de eerste week na 1 juni testte nog 2 procent positief, inmiddels is dit 0,9 procent.

RIVM-baas Jaap van Dissel vertelde in de Tweede Kamer dat ook deze cijfers erop wijzen dat het totale aantal mensen in Nederland dat besmet is met het coronavirus afneemt.

Coronatest nu voor iedereen: zo werkt de test en het contactonderzoek
116
Coronatest nu voor iedereen: zo werkt de test en het contactonderzoek