In een massasprint trappen de wielrenners zo hard ze kunnen. Het is een strijd tussen de explosiefste benen, maar toch worden juist de laatste meters van de pelotonspurt vaak met de armen beslist.

Dit artikel is afkomstig uit de Volkskrant. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de kranten en tijdschriften op NU.nl. Daar lees je hier meer over.

Op de finishfoto van de derde etappe van de Ronde van Frankrijk van zondag is te zien hoe Dylan Groenewegen zijn fiets zover mogelijk naar voren duwt . Zijn hoofd weggestoken tussen zijn schouders, zijn billen ver achter zijn zadel, de armen volledig uitgestrekt. Naast hem doet Wout van Aert op de finish in Sönderborg hetzelfde. Net als Jasper Philipsen op de derde plaats.

Ze doen dat niet zomaar. Wie zijn voorwiel naar voren drukt, boekt terreinwinst. Zo simpel is het. "Je gooit je fiets naar voren en je lijf naar achteren en dat zo hard mogelijk", zegt Jean-Paul van Poppel. Als sprinter won hij negen touretappes en zijn zoon Danny werd zaterdag vierde in de rit naar Nyborg. Van Poppel senior weet waarover hij het heeft. "Er wordt niet vaak over gesproken, maar een goede jump doet ertoe."

Het verschil tussen Groenewegen en Van Aert was minimaal. De uitslag had zomaar andersom kunnen zijn. Van Poppel wijst erop dat er nog ruimte zit tussen het zadel van Van Aert en zijn romp. Had de Belg zijn borst op het zadel gelegd, dan had hij de twee centimeter die hem scheidde van de zege misschien kunnen overbruggen. "Want daar gaat het om: je borstbeen op je zadel en je kont zowat op je achterwiel."

Van Poppel oefende in zijn koersperiode eind jaren tachtigen begin jaren negentig het trucje in trainingen. Niet gestructureerd, maar spelenderwijs. Als hij met een collega voor de gein een sprintje deed hoorde het er standaard bij. Het betaalde zich uit. "Ik herinner me een rit in de Ronde van Spanje waar ik dacht derde te worden, maar die ik toch won."

Specialist

Een echte specialist was hij desondanks niet, anders dan zijn concurrent Eric Vanderaerden. De Belg beheerste het tot in de puntjes. "Dan dacht ik ruim te winnen, met een meter voorsprong en dan kwam hij nog heel dichtbij. Hij was wat dat betreft een goed voorbeeld voor me."

In werkelijkheid zal een renner geen meter goedmaken, al voelt het volgens Van Poppel wel zo. "En dertig tot veertig centimeter pak je sowieso." Zeker Van Aert, die met 1,90 meter een van de langsten is die zich in de massasprint mengt, kan veel centimeters sprokkelen. Hij kan zijn ledematen beter benutten dan Groenewegen die met 1,77 meter een stuk kleiner van stuk is.

Helemaal op achterstand staat Caleb Ewan, met 1,65 een van de kleinsten van het peloton. Dat brak hem in de zesde etappe van de Ronde van Italië van dit voorjaar nog op. Tegen Arnaud Démare (1,82 meter) kwam hij lengte tekort. In deze Tour heeft de Australiër zich vooralsnog niet laten gelden in de sprint en is niet eens aan een jump voor de zege toegekomen.

Timing is cruciaal

De timing is cruciaal. "Momentum zoeken", noemt Van Poppel het. Dat geldt niet alleen in de massasprint. Michal Kwiatkowski dankte dit voorjaar in de Amstel Gold Race zijn zege aan zijn uitgestrekte armen in de sprint-à-deux met Benoit Cosnefroy. De Fransman drukte pas na de finishlijn zijn fiets naar voren. Veel te laat.

Volgens Van Poppel zijn veel renners in hun razende vaart naar de eindstreep sowieso geneigd om te laat hun jump in te zetten. Dat is zonde. Het is een beetje als het aantikken in het zwemmen. Het komt heel precies. "Je moet het zo doen dat je precies de finishlijn raakt als je helemaal uitgestrekt bent."

Niet elke massasprint gaat even hard en dus is het moeilijk te zeggen op hoeveel meter voor de eindstreep de fiets exact voorwaarts gegooid dient te worden. Van Poppel: "Het zal zo'n zes tot 10 meter voor de finish zijn, maar dat doe je op gevoel."

Elastische manoeuvre

Te ver voor de finish de armen strekken en over het zadel naar achteren wippen is ook funest. Niet alleen verliest een renner snelheid als hij te vroeg stopt met trappen, maar ook is die uitgestrekte houding niet lang vol te houden. Het is een elastische manoeuvre: na het uitstrekken volgt snel het terugveren. Dat kan ook niet anders, legt Van Poppel uit. "Je moet echt terugkomen, anders ben je stuurloos."

De komende dagen zullen de sprintspecialisten hun jump niet inzetten, tussensprints daargelaten. De volgende vlakke rit met kans op een massasprint staat pas op zondag 17 juli op de planning. Maar dan weet volgens Van Poppel iedereen wat hem te doen staat. "Alle sprinters weten dat een goede jump het verschil kan maken."