Buitenlandse omikroncijfers vormen niet voor niets de basis voor de Nederlandse lockdownmaatregelen. Onder meer Denemarken en Engeland brengen de nieuwe virusvariant veel preciezer in kaart. Drie vragen over wat Nederland beter kan doen (en wat het al doet) om nieuwe varianten, zoals omikron, op tijd te signaleren.

Dit artikel is afkomstig uit de Volkskrant. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de kranten en tijdschriften op NU.nl. Daar lees je hier meer over.

Hoe gaat die monitoring van varianten in z'n werk?

Erachter komen met welke virusvariant je precies te maken hebt, is nog behoorlijk complex. "Het is hogeschool, dit doe je niet zomaar even", zegt Paul Savelkoul, hoogleraar medische microbiologie en verbonden aan het lab van het Maastricht UMC waar ze zulke analyses uitvoeren. "Je hebt hier zeer specialistische mensen voor nodig."

Je moet het virus helemaal binnenstebuiten keren en het rna, het erfelijk materiaal van het virus, ophakken, zegt Savelkoul. "Simpel gezegd: je haalt een hele stapel kranten door de shredder om de stukjes vervolgens weer allemaal aan elkaar te plakken." Op die manier kun je het verschil met andere varianten zien. Voor dat proces, ook wel sequencen genoemd, is naast deskundigheid ook nog veel computercapaciteit nodig. "Dan heb je het over tientallen terabytes." In Nederland zijn er momenteel veertien labs die de techniek beheersen.

Onder normale omstandigheden analyseren de labs iedere twee weken een steekproef van enkele honderden positieve testen. Met die zogenoemde 'kiemsurveillance' controleren ze of er nieuwe varianten in de samenleving rondgaan. Als de genetische code eenmaal bekend is, zoals in het geval van omikron, kunnen de labs ook op zoek met een andere methode, een zogenoemde variant-PCR.

Die kunnen in tegenstelling tot gewone PCR-tests (bekende) op zoek naar kleine mutaties en daarmee varianten onderscheiden. Sinds de omikronopmars is surveillance met zo'n test flink opgeschaald: in Amsterdam wordt nu dagelijks een steekproef van zo'n honderd positieve monsters geanalyseerd. Ook in het Maastrichtse lab van Savelkoul wordt nu vrijwel elke verdachte omikronbesmetting bekeken.

Waarom doen andere landen zoveel meer om omikron in de gaten te houden?

Hoe meer analyses, hoe beter het zicht op virusvarianten. Het is niet voor niets dat RIVM-baas Van Dissel veelvuldig de Engelse en Deense cijfers aanhaalt. De landen, waar omikron overigens ook al wat langer in opmars is dan hier, hebben heel precies in kaart waar de variant rondgaat. Zo besloten de Denen onder meer tot een vervroegde schoolsluiting omdat de variant daar rondging.

"De Denen hebben ruim de helft van alle positieve tests gesequenced, in Nederland is dat nog niet eens 2,5 procent", zegt Matthijs Welkers, arts-microbioloog en verbonden aan het Amsterdam UMC. "Wereldwijd doen heel veel landen meer dan wij." In het Verenigd Koninkrijk werden deze coronacrisis al meer dan een miljoen analyses uitgevoerd.

De Engelsen waren simpelweg beter voorbereid op het uitvoeren van zulke grote aantallen analyses, zegt Welkers. "Al voor de coronacrisis hadden ze een aantal grote laboratoria waar ze virussen en bacteriën analyseerden." De Denen hebben hun capaciteit dan weer slim ingezet: positieve tests gaan naar centrale labs, dat maakt het logistieke proces een stuk makkelijker.

Heeft Nederland het virus dan wel voldoende in de smiezen?

De Engelsen en Denen mogen dan een bak aan data hebben, meer monitoren is niet automatisch beter, zegt Savelkoul. "Er zitten nadelen aan: het is erg duur en arbeidsintensief." Eén enkele analyse van een positieve test kan honderden euro's kosten. "Nu omikron rondgaat doen we in ons lab meer dan eerder, maar dat is niet lang vol te houden." Wat de Engelsen en Denen doen is bovendien 'overkill', vindt Welkers. Je hoeft volgens hem virusvarianten niet tot op de procent nauwkeurig te volgen om tot beleid te komen. "Je komt op een punt van informatieverzadiging. De Engelsen hebben inmiddels veel meer informatie dan nodig."

Nederland hoeft de Denen en Engelsen niet achterna, maar een tandje erbij is verstandig, vindt Savelkoul. Nederland zit volgens hen aan de 'onderkant' van wat minimaal nodig is om nieuwe varianten op te sporen. "Ik denk dat we op den duur meer moeten doen om goed zicht te houden op dit virus, ook omdat er meer varianten zullen komen."

Met de komst van de omikronvariant is de monitoring dus tijdelijk opgeschaald. "Direct nadat bekend werd dat er passagiers uit Zuid-Afrika waren gearriveerd met mogelijke omikronbesmetting zijn we veel meer gaan doen", zegt Welkers. "Ik denk dat we daarmee op tijd waren. We hebben nu redelijk goed zicht op de opkomst van deze variant." Donderdag bleek uit een Amsterdamse steekproef dat omikron (met 63 procent van de besmettingen) waarschijnlijk al dominant is in de hoofdstad. In de rest van het land is de variant verantwoordelijk voor 10 tot 15 procent van de besmettingen.

Om de monitoring op lange termijn op te schalen ziet Welkers vooral kansen in verbeterde samenwerking tussen labs. "Ieder doet analyses nu afzonderlijk. Dat is omslachtig." Om data beter te delen moet er andere wetgeving komen, vindt de arts-microbioloog. "Gegevens mogen nu om privacyredenen niet potentieel herleidbaar zijn naar individuen. Zelfs in een pandemie zijn juristen nu terughoudend. Als wij in Amsterdam een uitbraak analyseren, weten collega's in Rotterdam er vaak niks vanaf en kunnen ze er niet van leren. Denemarken heeft wetten specifiek aangepast. Dat zouden wij ook moeten doen."