Nu er een einde komt aan de anderhalvemetersamenleving en de meeste coronamaatregelen zijn afgeschaft, is het tijd voor een blik in de spiegel, zegt Denker des Vaderlands Paul van Tongeren. Die blik kan ons veel over onszelf leren.

Dit artikel is afkomstig uit Trouw. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de kranten en tijdschriften op NU.nl. Daar lees je hier meer over.

Zoals het invoeren van coronamaatregelen telkens tot discussie leidde, heeft ook het intrekken van maatregelen voor veel debat gezorgd. Vandaag gaat er een streep door de meeste coronamaatregelen. Eerder waren het onder meer meer de ic-capaciteit, de mondkapjes, de avondklok, de testcapaciteit, de veiligheid van de vaccins, de terrassen en de mentale gezondheidstoestand van jongeren die de discussie bepaalden. Nu zijn het de coronapas en de daarmee verbonden vermeende vaccinatiedwang of -drang.

Intussen wordt geroepen om een evaluatie van wat er allemaal gedaan en nagelaten is, wat de effecten daarvan geweest zijn en welke consequenties we daaruit moeten trekken. Marli Huijer toonde zich recentelijk zelfs verontwaardigd dat er nog steeds niet zo'n evaluatie is; zij noemde het 'natuurlijk veel te laat' (Trouw, 14 september) dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid 'pas' aan het eind van het jaar een rapport zal uitbrengen over 'de aanpak van de coronacrisis door de Nederlandse overheid en andere betrokken partijen' waarbij onder meer gekeken zal worden 'naar de voorbereiding op een pandemie, de crisisbeheersing en de getroffen maatregelen en de uitfasering van deze maatregelen' (aldus de website van de Onderzoeksraad voor Veiligheid).

Haast en ongeduld

De haast die gevraagd wordt en het ongeduld waarvan die getuigt zijn wat mij betreft kenmerkende trekken die opvallen bij een ander soort evaluatie. Want behalve een kritische blik op wat de overheid zoal gedaan en nagelaten heeft, is er ook aanleiding voor een evaluatieve blik in de spiegel. Wat heeft de crisis ons gebracht aan kennis over onszelf? Hoe hebben we - individueel en als samenleving - gereageerd op de pandemie en alles wat daarmee te maken heeft? Ook die vraag, de vraag van een filosofische reflectie die gericht is op individuele en culturele zelfkennis, heeft tijd nodig.

De uil van Minerva (ik bedoel die van Hegel, en niet wat Baudet daarvan gemaakt heeft) vliegt pas uit als de avond valt. Ook die vraag kan niet overhaast en niet eens en voor altijd beantwoord worden. Ze zal, zowel op individueel als op samenlevingsniveau, de komende jaren steeds opnieuw gesteld moeten worden. Ik noem een paar punten die mij zijn opgevallen in respectievelijk het begin, het verloop en het voorlopige einde van wat de coronacrisis is gaan heten.

Onheil heerst elders

Het heeft even geduurd voordat we de ernst van het virus onder ogen zagen. Relatief lang wisten we weliswaar dat het elders om zich heen sloeg, maar waanden we onszelf nog veilig. Het was in China met die vreemde dierenmarkten, het was in Italië waar het sowieso al gauw een chaos is, het was - konden de Nederlanders van boven de rivieren toen nog denken - in Brabant waar ze carnaval vierden. De tegenstelling tussen hier en daar, tussen ons en de anderen, weerspiegelde een soort vanzelfsprekend gevoel van veiligheid.

Natuurlijk weten we wel dat er ziektes kunnen uitbreken en dat we daar ook zelf door geraakt kunnen worden, maar die wetenschap is iets anders dan het besef van bedreigd te zijn. Op dezelfde manier weten we wel dat er ongelukken gebeuren op de weg, maar zien we onszelf alleen in theorie als een mogelijk slachtoffer. Het onheil heerst elders. Op het moment dat je je bewust wordt van dit gevoel van onkwetsbaarheid, zie je dat het een illusie is en zelfbedrog. Het feit dat dat gevoel inmiddels alweer grotendeels teruggekeerd is terwijl we weten dat het virus niet weg is en nieuwe op de loer liggen, laat zien hoezeer ons gevoel kan afwijken van ons bewuste weten. Het lijkt erop dat we de illusie van een veilige en vertrouwenwekkende wereld nodig hebben.

De rivieren over

Dat bleek ook uit de schok die de harde doorbreking van die illusie teweegbracht. Toen het virus eenmaal de grote rivieren was overgestoken, kon het ook boven die rivieren niet meer worden ontkend. De abstracte kennis dat alle mensen sterfelijk zijn, veranderde plotseling in het besef dat we nu zelf aan de beurt waren, of althans aan de beurt zouden komen. Ik hoorde iemand zeggen dat hij in die begintijd, als hij 's ochtends de radio aanzette, met enige opluchting constateerde dat al die mensen die hij hoorde blijkbaar nog leefden.

Dat was misschien extreem, maar de ernst waarmee we plotseling bang waren in elkaars buurt te komen, hamsterden alsof het oorlog zou worden, bereid waren veel te veel te betalen voor handgel die desinfecterend zou zijn, en vooral de mate waarin we ons massaal en on-Nederlands gehoorzaam onderwierpen aan strenge beperkende maatregelen - dat alles toonde hoezeer de angst voor de dood velen van ons in zijn greep had.

Ik vermoed dat de illusie van een vanzelfsprekende veiligheid en een panische angst voor de dood extreme gedaanten zijn van twee aspecten van ons bestaan die bij elkaar horen. Ik vermoed dat die angst voortdurend sluimert onder de dagelijkse vertrouwdheid. De manier waarop we - individueel en collectief - vormgeven aan de spanning tussen die twee zou wel eens in belangrijke mate de gezondheid kunnen bepalen van mens en cultuur.

Wat kan die eerste schok van de pandemie ons leren over onze weerbaarheid? Zou de manier waarop de angst voor de dood ons plotseling overrompelde niet te maken kunnen hebben met een verdringing daarvan? Welke plaats heeft het memento mori in onze cultuur? Welke rol speelt onze eigen sterfelijkheid bijvoorbeeld in de discussies over de manier waarop we zelf de regie willen houden? Maar ook: wat gebeurt er met de betekenis van de dood in een wereld waarin we voortdurend horen en zien wat er elders gebeurt en waarin we van de doden die vallen alleen nog de aantallen tellen?

Een blik in de spiegel

Na de eerste schok, die de samenleving tot stilstand bracht, moesten we langzaam wennen aan het besef dat het probleem enige tijd zou duren. Maatregelen die aanvankelijk voor een beperkte periode waren afgekondigd werden verlengd, aangevuld, afgeschaald en weer opnieuw ingevoerd, aangescherpt en weer verlengd. Na de eerste golf van besmettingen, kwam er een tweede en een derde. Een blik in de spiegel laat - onder andere - twee opmerkelijke dingen zien.

Op de eerste plaats onze aandacht voor cijfers. Wie had zich een paar jaar geleden kunnen voorstellen dat we elke dag in de krant zouden lezen hoeveel besmettingen, ziekenhuisopnames, ic-patiënten en overlijdens er waren in het afgelopen etmaal? Veel mensen keken tussen 3 en 4 uur 's middags als vanzelf even op hun telefoon om te zien wat de laatste cijfers waren. Uiteraard schoten we er niets mee op, te weten dat het er een paar (of veel) meer of minder waren dan de dag ervoor. Waar kwam die interesse dan vandaan? Gaven de cijfers misschien een illusie van meetbaarheid en daardoor beheersbaarheid van het virus dat in feite ons beheerste? Gaven ze ons het gevoel dat we grip hadden op wat in feite ons in zijn greep had?

Dat we daarop grip willen krijgen spreekt vanzelf; de illusoire manier waarop we dat deden, roept de vraag op of we niet beter moeten leren omgaan met wat we niet beheersen. Ook evaluaties waar nu om gevraagd wordt, zouden misschien niet alleen op nog verdere beheersing en nog perfectere organisatie van ons overgeorganiseerde land gericht moeten zijn. Ze zouden ook moeten gaan over hoe we kunnen leren improviseren en omgaan met het onverwachte en onbeheersbare.

Proef op geduld

Die belangstelling voor cijfers was waarschijnlijk verbonden met ons ongeduld. Hoelang gaat het nog duren? Zijn we niet te laat met de maatregelen? Worden ze wel op tijd versoepeld of ingetrokken? Wanneer kunnen we een vaccin verwachten? Hoelang duurt het dan voordat het in voldoende mate geproduceerd zal zijn? Wanneer ben ik aan de beurt? Wanneer kan ik eindelijk naar een terras, op vakantie? Alleszins begrijpelijk en tegelijk symptomatisch voor de moeite die we hebben met wachten. Het lijkt een wetmatigheid te zijn dat we ongeduldiger worden naarmate we sneller kunnen werken, communiceren, reizen. Het meeste ongeduld zie je bij wie net zijn computer heeft opgestart, bij wie zojuist per e-mail of chat een vraag heeft gesteld aan iemand, of wie wacht op een treinverbinding of een volgende vlucht.

Het vaccin dat moet beschermen tegen corona is onwaarschijnlijk snel ontwikkeld en geproduceerd, maar zonder dat daardoor ons ongeduld verminderd werd. De pandemie heeft dit kenmerkende ongeduld van ons steeds sneller wordende leven versterkt. Het roept de vraag op hoe we ons ook op dit punt wellicht weerbaarder kunnen maken. Natuurlijk willen we niet louter passief afwachten, maar het zou goed zijn als ons ongeduld het onvermijdelijke wachten niet tot een ondraaglijk lijden zou maken. Het is tijd voor bezinning op een krachtige vorm van geduld.

Vertrouwen en wantrouwen

Naarmate de pandemie duurde en maatregelen en adviezen elkaar opvolgden, veranderde de aanvankelijk sterke eensgezindheid in de samenleving. Er ontstond in toenemende mate discussie over effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen. En er werd - en wordt - in toenemende mate gesproken van een tweedeling in de samenleving: tussen voor- en tegenstanders van maatregelen, van vaccinatie als middel om de pandemie te bestrijden en van invoering van een coronapaspoort om versoepelingen mogelijk te maken. Voor zover met recht van een tweedeling gesproken kan worden, is een blik in de spiegel problematisch, want afhankelijk van welke partij erin kijkt. Maar ook zonder in die debatten partij te kiezen, zien we er een probleem in weerspiegeld dat te maken heeft met vertrouwen en wantrouwen.

Onze wereld wordt in toenemende mate bepaald door wetenschap en techniek. We omringen ons op alle mogelijke manieren met de producten daarvan: van de bril op onze neus, de smartphone in onze handen, de computergestuurde installaties in ons huis en op de weg, tot de wetenschappelijke basis van de instituties waarmee onze samenleving is ingericht. Die enorme hoeveelheid wetenschappelijke kennis bestaat echter voor het overgrote deel buiten ons. Dat wil zeggen: we vertrouwen erop zoals we erop vertrouwen dat de draagkracht van een brug correct berekend is, en dat de rekenkunde betrouwbare kennis oplevert.

Maar zelf hebben we doorgaans niet of nauwelijks de kennis waarmee we die betrouwbaarheid zouden kunnen testen. Het is een paradoxale situatie, dat we meer op vertrouwen aangewezen zijn naarmate onze wereld meer door in principe controleerbare kennis wordt bepaald. En die situatie vormt waarschijnlijk de basis voor een even paradoxale omkering daarvan: dat we wantrouwiger worden naarmate we meer op vertrouwen aangewezen zijn.

Die paradox wordt verdubbeld, waar de wetenschappelijke kennis de basis vormt van politiek beleid en bestuur. Wantrouwen jegens de vermeende kennis wordt gekoppeld aan wantrouwen jegens politici die zich voor hun beslissingen beroepen op die kennis. Beide vormen van wantrouwen versterken elkaar. Maar naarmate we wantrouwiger worden, raken we meer en meer vervreemd van een wereld en een samenleving die op vertrouwen zijn gebaseerd: de vertrouwenwekkende wereld waarmee ik begon en de instituties waarmee we ons beschermen. Het effect hebben we gezien: terugtrekking in het isolement van een bubbel, die zegt kritisch te zijn, maar zichzelf immuniseert tegen elke kritiek.

Tot slot: wat levert deze voorlopige en fragmentarische evaluatie op? Wat moeten we ermee? Veel zal afhangen van wat we behouden en wat we weer snel vergeten nu alles weer min of meer normaal wordt. Maar wie door een blik in de spiegel niet tot denken aangezet wordt, moet misschien eerst nog wat langer en wat rustiger kijken.