Om mensen in ontwikkelingslanden aan betere voeding te helpen, is het belangrijk om de consumenten zelf te vragen wat ze graag eten.

Dit artikel is afkomstig uit Trouw. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de kranten en tijdschriften op NU.nl. Daar lees je hier meer over.

Vierhonderd gram groenten en fruit per dag is de gezonde norm van de Wereldgezondheidsorganisatie, maar er is geen land ter wereld waar mensen dat gemiddeld binnen krijgen. Ook wetenschapper Bart de Steenhuijsen Piters van de Wageningen Universiteit komt er niet aan, erkent hij, al doet hij echt zijn best.

De oorzaken verschillen per land. In Nederland is aanbod genoeg, maar maken consumenten soms verkeerde keuzes in de supermarkt. In veel ontwikkelingslanden zijn groenten of fruit te duur of functioneert de markt niet goed. Ook zijn er landen waar sommige groenten als voedsel voor armen worden gezien, ze hebben dus een imagoprobleem.

Voor de filantropische Bill en Melinda Gates Foundation heeft De Steenhuijsen Piters met collega's onderzoek gedaan naar fruit en groente in landen met een laag inkomen. "Wat kun je doen om de consumptie te verhogen? Waar kunnen investeringen een verschil maken?", vraagt hij zich af. Een belangrijk thema want wereldwijd hebben 1,9 miljard volwassenen overgewicht of obesitas en 462 miljoen mensen hebben ondergewicht.

De studie heeft tot de nodige aanbevelingen geleid voor beter beleid, investeringen en ontwikkelingsprojecten. Een hele praktische: investeer vooral in de productie van groene bladgroenten zoals spinazie, omdat die gezonder zijn dan de uien en tomaten die nu veel aandacht krijgen. Een andere: stimuleer de groenteteelt dicht bij de stad. Zodat vrouwen de producten kunnen verkopen en zo hun positie versterken. In veel landen is een langere reis voor vrouwen gevaarlijk en wordt het transport door mannen gedomineerd.

Het onderzoek vond plaats in Burkina Faso, Ethiopië, Nigeria, Tanzania, India, Nepal en Bangladesh, landen die enorm verschillen. Ethiopië en Bangladesh kwamen er wat consumptie betreft veel slechter uit dan Nigeria en India.

In Ethiopië zijn groente en fruit niet te betalen voor veel mensen. Toch halen onze supermarkten daar deels de groenten vandaan. Westerse bedrijven investeren er in professionele productielocaties. Hoe zit dat?

De Steenhuijsen Piters: "We hebben gekeken wat er bekend is over de effecten van buitenlandse bedrijven die groente en fruit voor de export produceren. Wat we zien is dat ze een zeer beperkte invloed hebben op de binnenlandse markt. Het economische effect uit zich via werkgelegenheid, het betalen van belastingen en het uitbesteden van teelt aan lokale bedrijven, wat contractteelt wordt genoemd. Helaas zien we dat die contractteelt afneemt, omdat het moeilijk is om aan de Europese standaarden voor voedselveiligheid te voldoen. Nederlandse zaaizaadbedrijven hebben overigens wel een positief effect op binnenlandse groente- en fruit-productie."

Is dat beperkte effect van die exportbedrijven een tegenvaller?

"Ja, want ooit dachten we dat er wel overloopeffecten zouden zijn op de binnenlandse markt voor groente en fruit, en dat Nederlandse exportbedrijven daardoor een bijdrage aan die ontwikkeling zouden leveren. Ik ben van mening dat Nederlandse ontwikkelingssubsidies naar lokale bedrijven moeten gaan, want dat heeft een groter effect op de beschikbaarheid van groente en fruit voor de lokale bevolking."

Een van uw aanbevelingen is om te investeren in de informele sector.

"In de onderzochte landen zijn de informele productieketens voor groente en fruit goed voor 95 tot 99 procent van de binnenlandse markt. Ze zijn belangrijk en functioneren onder moeilijke omstandigheden, maar ze zijn ook inefficiënt. Veel boeren zijn bijvoorbeeld afhankelijk van tussenhandelaren die langskomen. Uit onzekerheid verkopen ze aan de eerste de beste en hierdoor krijgen ze niet altijd een goede prijs. Je zou kunnen investeren in digitale middelen die producenten en klanten samenbrengen, of waarin prijsinformatie te vinden is.

"Vaak wordt er geld gestoken in infrastructuur, zoals een nieuwe markthal. Maar die projecten mislukken regelmatig, omdat veel kleine ondernemers buiten het zicht van de overheid willen blijven. Zo ontlopen ze belastingen en corrupte praktijken. Ik heb te veel van dat soort structuren gezien waarbij de verkopers liever buiten de poort dan binnen de poort zitten."

De kleine retailers zijn vaak de enige partijen die weten wat de klant wil, schrijven jullie.

"Deze verkopers weten wat goed verkoopt. In Nederland onderzoeken supermarkten wat consumenten willen eten en omgekeerd brengt de retailer klanten op ideeën. Maar in de productieketens die wij hebben onderzocht, wordt zulke kennis niet gebruikt om de productie op de vraag af te stemmen. Hierdoor kunnen overschotten en tekorten ontstaan. Draai het om, denk eerst aan de consument. Dan zie je dat die retailers, de mannen en vrouwen met marktkramen of winkels, een prominentere rol moeten krijgen."

Bart de Steenhuijsen Piters, wetenschapper aan de Universiteit Wageningen en specialist in voedselsystemen.

Bart de Steenhuijsen Piters, wetenschapper aan de Universiteit Wageningen en specialist in voedselsystemen.
Bart de Steenhuijsen Piters, wetenschapper aan de Universiteit Wageningen en specialist in voedselsystemen.
Foto: Guy Ackermans

Veel ontwikkelingsprogramma's draaien juist om het vergroten van de productie van een kleine boer.

"Dat klopt, de landbouwwetenschap is altijd heel erg gericht geweest op het maximaliseren van de oogst. Maar als je ervoor wilt zorgen dat consumenten die gezonde producten gaan eten, is het essentieel om het denken en het landbouwbeleid om te draaien. Om je eerst af te vragen welk gezond voedsel mensen graag eten. En consumenten moet ook worden bijgebracht wat gezond voedsel is en hoe zij dit moeten bereiden. Neem Nigeria, waar de meeste voedingswaarden van groente verloren gaan door die veel te lang te koken."