Het was op een zaterdagochtend en het was pokkeweer, dat weet Ton Verheijen uit Boxtel nog over het moment dat hij vanuit Indonesië in Nederland aankwam. Dat was op 5 mei 1951, nu 70 jaar geleden. Op de vlucht voor de onrust en het geweld in zijn geboorteland. 'Ik was daar zo angstig, zo bang.'

Dit artikel is afkomstig uit Brabants Dagblad. Elke dag verschijnt een selectie van de beste artikelen uit de kranten op NU.nl. Daar lees je hier meer over.

Wat hij ook nog weet van zijn aankomst in Amsterdam, als enige passagier op het vrachtschip Mapia: dat hij zijn Indonesische kleren nog aan had. Stond-ie daar, met zijn blote voeten in sandalen. "Meer dan een klein weekendtasje had ik niet bij me. We zijn de volgende dag meteen nieuwe kleren gaan kopen."

De datum van 5 mei markeert voor Ton Verheijen (84) het moment waarop hij als veertienjarig jochie aan een nieuw leven begon. "De eerste jaren waren heel moeilijk. Op het internaat in Soerabaja had ik wel wat geleerd van de nonnen, maar ik kon nog niet lezen, schrijven en rekenen. In Nederland werd ik ingedeeld in de vijfde klas van de lagere school."

Rode kool en andijvie

En dan was er nog dat eten: aardappels. Rode kool. Andijvie! "Toen ik bij mijn pleeggezin in Nijmegen zat, wist ik: Anton, hier zul je nooit nasi goreng krijgen. En die heb ik daar inderdaad ook nooit gehad.''
De mensen die hem opvingen waren kennissen van zijn vader die samen met zijn moeder en zijn drie jaar jongere zusje in Indonesië achterbleef. Zijn ouders waren in 1928 vertrokken nadat zijn vader van de Papierfabriek Gelderland de opdracht kreeg om een fabriek in Indonesië op te zetten.

Omdat papier belangrijk was voor de Japanners, die tijdens de Tweede Wereldoorlog voormalig Nederlands-Indië bezet hielden, kreeg het gezin Verheijen aanvankelijk dispensatie. Maar in 1943 moest ook zij naar een van de interneringskampen. "Het eerste kamp op Oost-Java viel nog wel mee. Dat was een wijk waar een prikkeldraad omheen werd gezet. Later hebben we in verschillende Jappenkampen op Midden-Java gezeten en daar was het een stuk slechter. Slapen in barakken, vrouwen die een pak slaag kregen en weinig eten. Uit een sloot bij de gaarkeuken pikten we rijstkorreltjes."

Ton Verheijen als kind in Indonesië.

Ton Verheijen als kind in Indonesië.
Ton Verheijen als kind in Indonesië.
Foto: -

Bersiap

Twee dagen na de Japanse capitulatie in augustus 1945 roepen de nationalistische leiders Soekarno en Hatta de Indonesische onafhankelijkheid uit. Het is het startsein voor een uiterst chaotische en gewelddadige periode, de Bersiap, waarbij vooral ook Indo-Europeanen het doelwit zijn van radicale Indonesische nationalisten.

"Het was zo onrustig en ik viel met mijn lichtblonde haar echt op als blanda. Binnen de fabriek was je veilig, maar daarbuiten waren er iedere dag bedreigingen. Bijvoorbeeld als ik met de bus naar school moest. Ik was al zo vaak bijna vermoord, had zoveel angst dat ik tegen mijn vader heb gezegd: pap, stuur me maar naar Holland."

Zeven weken

En hij ging, zeven jaar eerder dan zijn ouders en zusje. "De reis duurde zeven weken. Ik heb het ticket nog liggen. Mijn vader gaf me twee dingen mee: blijf gezond en zorg dat je een diploma haalt. Ik kon niet heel goed leren, maar had wel de wil. Tussen mijn 14de en 21ste heb ik alles ingehaald. Ik heb het Rijksdiploma aan de Zeevaartschool gehaald en heb gewerkt als werktuigkundige. Veel geleerd, veel gezien."

Verheijen, getrouwd en vader van twee zonen, werkte voor Japanse bedrijven als Nippon Steel en verhuisde naar Boxtel toen hij gevraagd werd een technische groothandel in Best op te zetten. Hij ging regelmatig terug naar Indonesië. "Mijn hart ligt zowel hier als daar."

Nog altijd probeert hij gezond te leven, heeft-ie er een hekel aan als mensen eten weggooien en kan hij met weinig toe. "Je blijft een oorlogskind. Wat ik heb geleerd in mijn leven is dat als je wilt je alles kunt bereiken."