Demissionair premier Mark Rutte en de bewindslieden van zijn nieuwe kabinet worden vandaag op Paleis Noordeinde beëdigd door koning Willem-Alexander. Verschillende ministers, zoals Carola Schouten, Hugo de Jonge en Sigrid Kaag, krijgen een andere rol dan in het vorige kabinet. Waarom wisselen zij eigenlijk van ministerie en is dit wel wenselijk?

Het korte antwoord is dat een minister daar in veel gevallen niet voor kiest, zegt Simon Otjes, universitair docent Nederlandse politiek bij de Universiteit Leiden.

Volgens hem hebben de ministers in een informeel gesprek met hun partijleider (Rutte, Kaag, Hoekstra en Segers) laten weten dat ze graag minister willen blijven. Vervolgens is het aan de partijen om een lastige puzzel te leggen. Iedere partij mag - afhankelijk van hoe groot deze is - een bepaald aantal ministers en staatssecretarissen aanleveren. Dat wil overigens niet zeggen dat een bewindspersoon daar zelf niets over te zeggen heeft.

Traditiegetrouw levert de een na grootste partij de minister van Financiën. Nu is dat D66, voorheen het CDA. En aangezien zowel Wopke Hoekstra (nu nog demissionair minister van Financiën, CDA) als Sigrid Kaag (oud-minister van Buitenlandse Zaken, D66) minister wilde blijven, lag het voor de hand dat zij van post zouden veranderen.

Daarnaast moet een partij rekening houden met de man-vrouwverhouding en speelden er andere belangen mee. Zo was er vanuit het CDA de wens dat Hugo de Jonge minister zou blijven. Maar Volksgezondheid ging naar D66, dus moest ook hij een andere post krijgen

"Ik denk dat je niet moet onderschatten hoe ingewikkeld die puzzel is en dat belangen daarbij ook een rol spelen", zegt Otjes. "Iedereen in Den Haag stond achter het idee van vernieuwing, maar Hoekstra had ook gewoon een puzzel op te lossen omdat het CDA niet veel ministersposten kreeg."

Ministers: bestuurders of experts?

De ChristenUnie houdt daarentegen de portefeuille Landbouw, maar toch wisselt minister Carola Schouten van post en wordt ze minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.

Het kan goed zijn als een minister "met frisse energie" aan een nieuwe baan begint, zegt Alexander van Kessel, parlementair historicus aan de Radboud Universiteit. "Jan Pronk had al drie termijnen op Ontwikkelingssamenwerking gedaan (1973-1977, 1989-1998) en wisselde toen in Kabinet-Kok II naar Volkshuisvesting. En dat heeft hij volgens insiders toen prima gedaan."

Ook hangt het er volgens Otjes maar net van af welke visie een partij op de politiek heeft. "We zien nu bij D66 twee verschillende visies op politiek opsteken. De eerste visie is enorm benadrukken dat politici bestuurders met bestuurlijke capaciteiten zijn, en dan maakt het niet uit waar je ze neerzet." Dat gebeurt nu bij D66 met Sigrid Kaag en Kajsa Ollongren, die beiden al ervaring hebben op verschillende ministeries.

"De andere visie is dat we geregeerd zouden moeten worden door experts die verstand van zaken hebben." Dat gebeurt met twee andere benoemingen van D66: arts Ernst Kuipers naar het ministerie van Volksgezondheid en topfysicus Robbert Dijkgraaf naar het ministerie van Onderwijs.

Overigens maakt het voor de continuïteit van een ministerie weinig uit als er van minister wordt gewisseld, omdat ambtenaren deze lijn bewaken. "Dat zorgt er ook voor dat een land niet meteen instort als een minister aftreedt", aldus Otjes.

Geen ervaring, maar toch minister worden: waarom gebeurt dat?
201
Geen ervaring, maar toch minister worden: waarom gebeurt dat?

Het wisselen van bewindslieden op ministeries is van alle tijden

  • In 1994 werd Tineke Netelenbos (PvdA) staatssecretaris voor Onderwijs in kabinet-Kok I. In het volgende kabinet (Kok II) werd ze minister van Verkeer en Waterstaat.
  • Tussen die twee kabinetten wisselde VVD'er Annemarie Jorritsma van ministerspost. In Kok I was ze minister van Verkeer en Waterstaat, het kabinet daarna minister van Economische Zaken.
  • Piet Hein Donner (CDA) wisselde zelfs drie keer van ministerie. Zo was hij in kabinet-Balkenende I en II (2002-2006) minister van Justitie. Tussen 2007 en 2010 (kabinet Balkenende IV) was hij minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tot slot was hij in 2010 en 2011 kortstondig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder kabinet-Rutte I.

Experts op ministeries 'niet per se wenselijk'

Otjes is van mening dat een kabinet iets van beide visies moet bevatten, dus dat ministers een politieke achtergrond hebben én verstand hebben van bepaalde terreinen. Uiteindelijk is het volgens hem subjectief of een minister wel of geen succes wordt.

Van Kessel onderschrijft dat. "Het zijn van minister vereist meer dan alleen vakkennis hebben. Er zijn genoeg voorbeelden van uitstekend ingevoerde personen die het op hun ministerspost niet redden vanwege de politieke omgeving met alle spotlights en een kritische Kamer."

Zo was diplomaat Chris van der Klaauw, die in 1977 voor de VVD minister van Buitenlandse Zaken werd, geen succes - ondanks zijn vakinhoudelijke kennis. "Die man voelde zich helemaal niet thuis in een politieke omgeving. Dat werd eigenlijk een fiasco. Vakinhoudelijke kennis is dus lang niet altijd een garantie op succes."

Toch begrijpt Otjes het wel dat mensen het verwarrend vinden als ze een bekende minister ineens op een andere post zien. "Maar je moet ook niet onderschatten dat politiek een vak is. Niemand vindt het vreemd als televisiepresentator Humberto Tan van een sportprogramma naar een avondprogramma gaat, dus waarom kan een minister niet van plek wisselen."

Volgens Otjes is het in andere Europese landen een stuk gebruikelijker dat ministers van post wisselen. Zo zijn er in het Verenigd Koninkrijk regelmatig reshuffles, waarbij politici naar een ander ministerie verhuizen. "Daar heerst helemaal de gedachte dat politici gewoon bestuurders zijn op ministeries, in plaats van experts."

Toch moet je als Nederlandse minister oppassen om niet te vaak van ministerie te veranderen, waarschuwt Van Kessel. "Dan kan je de indruk krijgen dat iemand gewoon minister wil zijn en dat het departement er niet toe doet."

Jetten had nee gezegd tegen andere post dan klimaatministerschap
38
Jetten had nee gezegd tegen andere post dan klimaatministerschap