TURIJN - De Nederlandse schaatsers worden gek van de talloze dopingcontroles die ze tijdens de Olympische Spelen moeten ondergaan. "Het is goed dat er gecontroleerd wordt", sprak Carl Verheijen. "Maar niet op deze manier."

Vier instanties (IOC, ISU, WADA en DoCoNed) mogen bloed of urine van een schaatser eisen. Maar de coördinatie tussen die partijen verloopt dusdanig slecht, dat diverse schaatsers in één week drie keer worden gecontroleerd.

Volgens Verheijen is zijn teammaatje Sven Kramer al "zes, zeven keer" op controle geweest. "Zoveel testen is gewoon zonde van het geld", sprak de Leusdenaar. "Wanneer je een atleet twee keer in een week controleert, weet je ook genoeg. Dan kun je beter wat meer testen in de zomer."

Krook

KNSB-topsportcoördinator Ab Krook was het daarmee eens. "In de zomer bouwen de atleten iets op. Dan kun je er ook voor kiezen in die periode meer controles uit te voeren. En niet alleen veel dopingtests doen wanneer alle schijnwerpers erop gericht zijn."

Omdat de diverse instanties niet goed met elkaar samenwerken, is het mogelijk dat een atleet die zojuist zijn plas in het olympisch dorp heeft ingeleverd, vervolgens op de Oval Lingotto - door een andere partij - wordt gevraagd een bloedcontrole te ondergaan. "Dit is extreem", aldus Krook.

NOCNSF

Ook op de wijze waarop de tests worden uitgevoerd, is kritiek. Marcel Sturkenboom, directeur sport van het NOCNSF, diende dinsdag een officiële klacht in bij het organisatiecomité TOROC over de gang van zaken. De controles worden in zijn ogen ondeskundig verricht. Zo moest een Nederlandse atlete in een bekertje urine afleveren. Dat bekertje was echter lek, waardoor de sportster twee uur moest wachten alvorens een nieuwe plas kon worden afgegeven.