Op 9 januari 2007 presenteerde de toenmalige Apple-directeur Steve Jobs de eerste iPhone. De telefoon werd geniaal vermarkt, zegt merkendeskundige Paul Moers. Maar hoe deed Jobs dat en wat maakte de inmiddels legendarische presentatie tot zo'n groot succes?

Voor een zaal klappende en joelende mensen presenteerde Jobs in 2007 in San Francisco de eerste iPhone. Zonder bescheidenheid trouwens. "Apple vindt de telefoon opnieuw uit", zei hij.

Jobs bouwde de spanning tijdens de presentatie op. "Ik ga vandaag drie nieuwe Apple-producten aankondigen", begon hij. "Een iPod met een touchscreen, een telefoon en een apparaat voor internetcommunicatie. Snap je? Een iPod, een telefoon en een apparaat voor internetcommunicatie. Het zijn niet drie verschillende producten, het is één apparaat. We noemen het de iPhone."

Het lukte Jobs met zijn presentatie om op een slimme manier een nieuw Apple-product in de markt te zetten, vindt merkendeskundige Paul Moers. "Jobs legde aan de hand van drie begrijpelijke voorbeelden uit waarom het toestel bijzonder was en wat je ermee kon", zegt hij.

Smartphones toegankelijk voor groot publiek

Toen de eerste iPhone werd gepresenteerd, waren telefoons van merken zoals BlackBerry en Nokia populair. Die toestellen hadden toetsenborden met fysieke toetsen onder het scherm, waarmee mensen konden typen. Er waren al een aantal smartphones met alleen een scherm en virtuele toetsen op de markt, maar de iPhone maakte smartphones als eerste echt toegankelijk voor een groot publiek. Het toestel werd onder meer geroemd om zijn gebruiksgemak en de bediening met vingers in plaats van met een stylus.

Moers zegt dat Jobs wegkomt met zijn uitspraak dat Apple de telefoon opnieuw uitvond, omdat het bedrijf er daadwerkelijk een significante, technologische vooruitgang mee boekte. "Je kunt een hele hoop lawaai maken rond een product maar geen goed product hebben, maar Jobs wist een revolutionair apparaat op een waanzinnige manier te verkopen. Apple voerde marketing op een zelden vertoond niveau."

De inmiddels beroemde kleding van Steve Jobs - een spijkerbroek en een zwarte trui - droegen bij aan de manier waarop hij de iPhone presenteerde. Ook daar is volgens de merkendeskundige over nagedacht. "Daarmee liet hij zien: het gaat niet om mij, ik ben niet belangrijk, het gaat om het verhaal en het product."

Dure iPhone was statussymbool

Hoewel de eerste iPhone in die tijd een goede smartphone was, miste hij nog veel functies waar we inmiddels aan gewend zijn. Er was nog geen App Store, teksten kopiëren en plakken kon niet, filmen was onmogelijk en Siri bestond nog niet.

Met het toestel begon Apple daarnaast de trend van dure smartphones. De telefoon was destijds al erg prijzig. Hij kostte 500 dollar (nu 440 euro), terwijl de T-Mobile G1 (de eerste telefoon die werkte met Android) bijvoorbeeld nog 150 dollar kostte.

Dat Apple er tóch mee wegkwam, heeft volgens Moers meerdere redenen. Ten eerste creëerde het bedrijf een hype rondom zijn eerste telefoon, onder meer dankzij de presentatie van Jobs. "En het was een statussymbool. Mensen lieten zien dat zij zich een iPhone konden veroorloven. Als je een iPhone had, hoorde je erbij."