Dewaa is zestien jaar oud, geboren in Rotterdam en gaat na de zomervakantie naar de vijfde klas van de havo. Deze zomer reisde ze met haar familie naar Afghanistan om haar opa te begraven. Haar vader werkte jaren voor Defensie en Buitenlandse Zaken in Afghanistan. Sinds de Taliban in Kaboel de macht overnamen, zit ze met haar familie ondergedoken in een appartement. Ze wachten op een mogelijkheid om te vertrekken. Voor NU.nl houdt Dewaa een dagboek bij. Haar echte naam is bekend bij de redactie.

De laatste keer dat ik van me liet horen, is alweer een week geleden. We hadden die dag geprobeerd naar het vliegveld te komen, maar dat was uitgelopen op een totale chaos. Van de redactie van NU.nl heb ik gehoord dat er heel veel lezers naar me hebben gevraagd. Dank voor al die reacties!

De afgelopen dagen is er ontzettend veel gebeurd. Laat ik om te beginnen zeggen dat ik weer veilig thuis ben. We zijn vrijdagochtend om 10.00 uur aangekomen met een van de laatste vluchten vanaf het vliegveld van Kaboel. Het is fijn om weer thuis te zijn, maar ik maak me natuurlijk ook zorgen om mijn oom, tantes, neven en nichten die ik heb achtergelaten.

Zaterdag 21 tot maandag 23 augustus: Met de bus naar het noorden

Maar laat ik beginnen waar ik de vorige keer was geëindigd. Na de mislukte poging om op het vliegveld te komen, waren mijn vader, moeder, zusje en ik huiverig om nog een keer te gaan. Het was gewoon te gevaarlijk. We kregen steeds telefoontjes en mailtjes van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, maar we gingen niet. We zaten in het huis van een oudoom van mij, met in totaal negentien familieleden. Een van mijn ooms wilde met zijn gezin van vijf kinderen naar de Verenigde Staten. Zij hadden dertig uur gewacht bij het vliegveld, maar zijn niet weggekomen. Zij zijn nu nog steeds in Kaboel.

Op maandag namen we een besluit: we wilden niet meer naar het vliegveld, we zouden met de bus naar het noorden rijden, naar de stad Mazar-i-Sharif, waar de familie van mijn moeder vandaan komt. Van daaruit zouden we dan proberen over de grens met Oezbekistan te komen. We hadden onze koffers al gepakt en zouden dinsdagochtend vroeg vertrekken.

Beelden tonen enorme chaos bij luchthaven Kaboel
45
Beelden tonen enorme chaos bij luchthaven Kaboel

Dinsdag 24 augustus: Toch naar het vliegveld

Om 2.00 uur in de nacht kregen we een telefoontje uit Den Haag. We moesten naar de Nederlandse ambassade komen. Er was verwarring. Welke ambassade? Het oude ambassadegebouw in het centrum van de stad, of de plek waar de ambassadeur nu was, op het vliegveld? De vrouw aan de telefoon gaf een straatnaam in het Engels door, maar welke straat was dat in Kaboel? Daar kwamen we niet uit, en die vrouw aan de telefoon had ook geen idee. We besloten niet te gaan, want waar moesten we naartoe?

Uren later bleek dat we naar de ambassade in de stad moesten komen. Dat gebouw kende mijn vader goed; hij heeft twintig jaar geleden tijdens de eerste militaire missies voor de Nederlanders gewerkt. We besloten het plan om naar het noorden te gaan op te geven. We pakten onze belangrijkste spullen, die we in rugzakjes stopten. De koffers met kleding gingen in de kelder van het huis van onze oudoom.

“De lokale medewerkers, die echt geweldig waren, kwamen met ontbijt, brood, eieren en thee. Voor mijn moeder, die zich niet goed voelde, had één van hen zelfs gemberthee gemaakt, echt super.”

We namen voor de zoveelste keer afscheid van onze familie en gingen met de taxi naar de ambassade. Daar stond tot onze verbazing een grote rij mensen voor deur. Het waren niet alleen mensen met een Nederlands paspoort, maar ook allerlei mensen die niets met Nederland te maken hadden, maar nieuwsgierig waren of hoopten weg te komen. Mijn vader herkende een medewerker - iemand van vroeger, uit de tijd waarin hij voor Buitenlandse Zaken werkte - en sprak hem aan. Al snel mochten we naar binnen. Ik zag de opluchting op het gezicht van mijn vader toen we de slagboom doorgingen. "We zijn nu op Nederlands grondgebied", zei hij. "Nu kan ons niks meer gebeuren."

Geen Nederlanders te zien

Het is een ommuurd terrein met een oud gebouw waarin de ambassade is gevestigd, maar ook met allerlei andere gebouwen en containers waarin de diplomaten sliepen. Nederlanders waren er niet - geen diplomaten, en ook de militairen van wie minister Bijleveld zei dat ze in de stad zouden zijn om mensen op te halen, waren niet te zien. De enige mensen die we zagen, waren de Afghaanse mannen die de ambassade bewaakten.

Ze zorgden goed voor ons. Ze haalden eten en drinken, zorgden ervoor dat we ons op ons gemak voelden. Buiten voor de ingang kwamen steeds meer mensen kijken. En dat trok weer de aandacht van passerende Taliban-strijders die wilden weten wat er aan de hand was. Uit voorzorg gingen de vrouwen en kinderen die binnen waren naar een binnenplaats, ver weg van de toegangspoort.

Van de plannen om ons snel naar het vliegveld te brengen kwam niet veel terecht, door de grote opkomst van mensen en de aanwezigheid van de Taliban. Ook was er op de een of andere manier een foto gemaakt van de lijsten met mensen die geëvacueerd zouden worden. En die lijsten waren via sociale media verspreid, al onze gegevens stonden erop. Ik heb op de telefoon van een van die bewakers gezien dat screenshots van die documenten inderdaad op Facebook stonden.

Er was even grote paniek. Hoe kon dit nou zijn gebeurd? Het besluit werd genomen om de nacht door te brengen op de ambassade. De mannen en vrouwen werden apart ondergebracht in de containers, waar normaal de diplomaten in slapen. Wij vrouwen hadden twee containers, maar nauwelijks plek op de grond om te liggen, en de airconditioning werkte niet. Kinderen werden wakker, moesten huilen, sommigen moesten overgeven. We moesten met dertig vrouwen en vijftien kinderen één wc delen. Gelukkig kwamen de bewakers met extra wc-papier en ook met extra vruchtensap, dat ze speciaal in een winkeltje waren gaan halen. Sowieso waren we er dankbaar voor dat we een plekje hadden gekregen en niet buiten in de kou hoefden te slapen.

In Kaboel ondergedoken tolk: 'Taliban proberen ons bang te maken'
113
In Kaboel ondergedoken tolk: 'Taliban proberen ons bang te maken'

Donderdag 26 augustus: Alles ging goed, tot we in de buurt van het vliegveld kwamen

Om 4.00 uur in de ochtend werden we wakker en deden we het ochtendgebed. Om 5.00 uur ging de telefoon van mijn moeder: het was het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat vroeg waar we bleven en wat er aan de hand was. Ik deed het woord en legde uit dat er buiten een hele menigte had gestaan, en dat we daardoor niet weg konden. Gelukkig was het inmiddels weer rustig voor de deur.

De lokale medewerkers, die echt geweldig waren, kwamen met ontbijt, brood, eieren en thee. Voor mijn moeder, die zich niet goed voelde, had een van hen zelfs gemberthee gemaakt, echt super.

Het plan was om met bussen naar het vliegveld te gaan. Ik hielp bij het indelen van de groepen, elke bus zou veertig mensen meenemen. Zelf zaten we in bus 1. We gingen de ambassade uit en stapten snel de bus in om te voorkomen dat we weer heel veel belangstelling zouden trekken. Bus 1 en 2 reden snel weg en stopten twee straten verder. Bus 3 liet maar liefst een uur op zich wachten. Later hoorden we dat de Taliban weer een kijkje waren komen nemen. Met de drie bussen gingen we eindelijk op pad. Nog steeds was er geen Nederlandse militair of diplomaat te zien. Wel zag ik onderweg de beveiligers van de ambassade op straathoeken staan, die blijkbaar aan de medewerkers van de ambassade in Afghanistan doorgaven dat we eraan kwamen.

Alles ging goed, tot we in de buurt van het vliegveld kwamen. In de Nederlandse media stond dat we daar uren hebben gestaan, en dat was inderdaad het geval. Het waren vreselijke uren. Het was warm, de bus had geen airco, geen gordijnen tegen de zon en ook geen ventilatiesysteem. De temperatuur liep al snel hoog op. We zouden in totaal negentien uur in de bus zitten.

Dewaa zat negentien uur vast in een bus in de hoop het vliegveld te bereiken.

Dewaa zat negentien uur vast in een bus in de hoop het vliegveld te bereiken.
Dewaa zat negentien uur vast in een bus in de hoop het vliegveld te bereiken.
Foto: Dewaa

Taliban sloegen mensen op straat met rubberen slangen

Kinderen en vrouwen begonnen te huilen, werden misselijk. De deuren hebben we uiteindelijk maar opengezet, maar daar moesten dan wel twee mannen bij gaan staan om te voorkomen dat mensen die buiten op straat liepen de bus insprongen, ze wilden allemaal naar het vliegveld. We zagen hoe de Taliban-strijders op straat mensen sloegen met rubberen slangen, mannen kregen klappen met de achterkant van een kalasjnikov.

En wat het bizarre was: we hadden geen contactgegevens van de Nederlandse diplomaten op het vliegveld, we wisten niet hoe we ze moesten bereiken. De buschauffeurs wisten niet waar ze ons moesten afzetten. Ook bleek dat de Nederlandse diplomaten de kentekens van de bussen niet hadden doorgegeven aan de Taliban.

Het was dan ook een groot geluk dat mijn vader telefoonnummers had uitgewisseld met een van de medewerkers van de ambassade. Die man belde op een gegeven moment om te vragen hoe het was. Mijn vader vertelde over de moeilijke situatie waarin we zaten. De bewaker belde eerst zelf met het ambassadepersoneel en gaf daarna het nummer van de ambassadeur aan mijn vader. Vanaf dat moment hadden we wel direct contact.

En dan was er nog een ander probleem: we stonden daar uren, en hoe moesten we naar de wc? Mijn vader besloot naar een apotheek vlak bij waar de bus stond te gaan. Een man die daar werkte was zo vriendelijk om de wc van zijn woning ter beschikking te stellen, zodat we daar naar het toilet konden.

Vanaf het vliegveld hoorden we steeds via mijn vader dat er onderhandeld werd, dat we nog even moesten volhouden, maar dat werd steeds moeilijker. Er waren mensen in de bus die terug wilden, die er niet meer in geloofden, maar mijn vader zei steeds weer dat teruggaan naar de stad geen zin meer had en dat we moesten doorzetten. Eten was er niet, we moesten het doen met het ontbijt van die ochtend en wat snoepjes en koekjes die we bij ons hadden.

Een Taliban-strijder benadert de bus waarin Dewaa zit.

Een Taliban-strijder benadert de bus waarin Dewaa zit.
Een Taliban-strijder benadert de bus waarin Dewaa zit.
Foto: Dewaa

'We moesten het zelf oplossen'

Inmiddels viel de avond. We dommelden een beetje in toen opeens zaklampen aangingen en Taliban de bus in kwamen. Ze zochten een jongeman met een tatoeage op zijn hand. Een van de inzittenden van de bus moest zijn hand laten zien. Kinderen begonnen te huilen, waarop de Taliban-strijder boos werd: "Je hoeft niet te huilen, je hoeft niet bang te zijn", zei hij.

In de bus achter ons vonden de Taliban een paar jongens die vanaf de straat de bus in waren gegaan in de hoop zo op het vliegveld te komen. Zij werden er vervolgens uit geslagen. Het was begrijpelijk dat die jongens het land uit wilden, maar ze maakten het voor ons wel moeilijk. De Taliban hadden duidelijk gezegd dat mensen zonder buitenlands paspoort niet zouden worden doorgelaten.

Om 20.00 uur plaatselijke tijd kregen we te horen dat we mochten gaan rijden. Inmiddels was de file verdwenen, we stonden alleen met de bussen in de rij langs de kant van de weg. De chauffeur was inmiddels bezorgd geworden, hij vreesde dat de Taliban op zijn bus zouden gaan schieten. Hij wilde dat er iemand van de ambassade mee zou rijden, maar toen we dat vroegen, zeiden ze dat het voor diplomaten én militairen onmogelijk was om van het vliegveld af te komen. We moesten het zelf oplossen.

Dewaa is inmiddels weer terug in Nederland. Het laatste deel van haar dagboek lees je zondagochtend op NU.nl.