Niet-westerse allochtonen die een bedrijf beginnen stoppen daar meestal na anderhalf tot tweeënhalf jaar mee, eerder dan andere starters.

Dat blijkt uit een onderzoek naar de overlevingskansen van bedrijven gestart door allochtonen, uitgevoerd door Panteia, Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam.

De reden dat zij vroeg stoppen is dat niet-westerse allochtonen relatief jong beginnen met ondernemen en dus nog weinig werkervaring hebben opgedaan.

Maar volgens de onderzoekers heeft de herkomst van een ondernemer die relatief vroeg begint geen significante invloed op het wel of niet slagen van een bedrijf.

Niet-westerse allochtonen hebben wel een mindere slaagkans van hun bedrijf als zij starten in wijken met een lage sociaal-economische status. In 'welgestelde' wijken is de slaagkans iets beter, maar nog steeds negatief.

Sectorkeuze

Volgens de onderzoekers speelt ook mee dat allochtonen relatief vaak een bedrijf starten in een minder kansrijke sector, zoals de detailhandel en de horeca. Het heeft dan ook minder met de kwaliteit van ondernemerschap te maken.

Na drie jaar is de overlevingskans van het bedrijf van een niet-westerse allochtoon 50 procent en van een westerse allochtoon 61 procent. Autochtone ondernemers zien in 68 procent van de gevallen hun bedrijf nog staan. De gemeten cijfers zijn wel tot en met 2005.