Beste meneer De Boer, lieve Frank,

Ik heb zondagmiddag mijn netvliezen een uurtje of wat in de Glorix gelegd. Het hielp nauwelijks. Ik kreeg die negentig minuten Ajax-Feyenoord er niet vanaf geboend. Ook niet met een staalborstel. En geloof me: ik heb het geprobeerd.

Twee keer vijfenveertig minuten heb ik met afschuw toegekeken naar jouw ploeg. Het angstzweet klotste in mijn oksels bij elk balcontact van Mike van der Hoorn, de wanhoopskreten kwamen vanuit het zwartst van mijn ziel bij de zoveelste mislukte pass van Lucas Andersen en de koude rillingen liepen over mijn rug als Kolbeinn Sigthorsson die arme bal nog een beetje meer mishandelde.

Toen je Niki Zimling - in een niet al te ver verleden nog een dertien-in-een-dozijn-speler van NEC - er in de tweede helft in bracht ben ik in huilen uitgebarsten. Ik kon het niet meer aan. Ik trok het niet meer, Frank.

Toen ik klein was, verloor Ajax vrijwel elk seizoen de titel aan PSV. Al mijn vriendjes waren voor PSV of Feyenoord. Ik niet. Ik was voor Ajax, want Ajax voetbalde niet - Ajax wervelde. Dat was niet altijd genoeg om te winnen, maar het ging het om meer dan het resultaat alleen. De omhaal van Marco, de stiftjes van Dennis, de schaarbewegingen van Bryan Roy - het was voetbal met een vleugje kunst.

Eigen identiteit

In mijn puberteit begon Ajax plotseling ook nog te winnen. Landstitels, bekers, Europa Cups, met spel zo mooi dat je het op kon hangen in een museum. Het was voetbal met een eigen identiteit. Ik herinner me een Ajax-PSV in het Olympisch Stadion: je stond zelf in het veld, Frank. Het was een van de eerste wedstrijden van Winston Bogarde in een Ajax-shirt.

Ik zat op de tweede rij, bijna tegen het hek. Voor me zat een oud meneertje in een vale regenjas. Hij stond niet op bij kansen, hij riep niets over het beroep van de moeder van de scheids en bij doelpunten applaudisseerde hij slechts beschaafd.

Precies één keer stond hij op: toen Bogarde een bal blind over de zijlijn poeierde om een aanval van PSV te onderscheppen. Hij stak zijn vinger in de lucht en riep: "Dat doen we niet bij Ajax!" Bogarde hoorde het; de volgende aanval onderschepte hij met een hakje.

Maar als ik nu naar Ajax kijk, dan zie ik het niet meer. Al jaren niet. Het is weg. Ajax-spelers poeieren ballen schaamteloos over de zijlijn. Het enige semi-artistieke wat ik nu zie is het doe-maar-mij-maar-een-dubbele-latte-met-sojamelk-hipster-kapsel van Lasse Schöne. Geen stiftjes maar passjes breed. Geen passeerbewegingen, maar balletjes terug. Geen passie, maar klinische nep-tiki-taka.

Het doet pijn om naar te kijken, Frank. Pijn aan mijn ogen, pijn in mijn hart. Ajax voelt niet meer als Ajax, maar als zomaar een club met een rood-wit shirt aan.

Artistiek

Ik weet ook wel dat 2015 niet 1995 is, dat het andere tijden zijn, met andere wetten, en dat je beste spelers keer op keer worden weggekocht. En ik weet ook wel dat vier keer op rij kampioen worden uniek is, en dat die prestatie vooral op jouw conto te schrijven is.

Ik zal ook niet pretenderen dat ik het beter weet, want ik weet het niet beter. Ik zal niet schrijven dat je dat ene systeem moet invoeren of die ene speler moet opstellen. En ik snap ook dat je in grote wedstrijden en in grote toernooien vaak meer bereikt met lelijk voetbal.

Het enige wat ik je vraag, wat ik je smeek, is of Ajax af en toe weer eens een keertje kan voetballen als Ajax. Aanvallend, arrogant, artistiek. Gewoon, for old times sake. Dan worden we waarschijnlijk geen kampioen, maar dat worden we dit jaar toch niet. Wil je ons, voordat je weggaat, alsjeblieft nog een keertje vermaken? Wil je Ajax weer een beetje Ajax maken?

Ah toe? Frank? Alsjeblieft?

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NUsport.nl.*