En toen gebeurde er niks. Geen aanval. Geen gevaarlijke kopgroepen. Geen ploeg die het peloton deed ontploffen. Er werd gewacht. En gewacht. En gewacht.

Luik-Bastenaken-Luik was een oefening in geduld. Voor de renners. Maar ook voor de toeschouwers. Het was als staren naar de eerste tien kilometer-ritten van een schaatstoernooi: saaaaaaaaaaaaai.

De zondag ging zo langzaam dat het leek of de klok achteruit tikte. Ik had gisteren zelfs geen medelijden met al die mensen die op zondagmiddag naar een meubelboulevard moesten.

In de Amstel Gold Race en de Waalse Pijl was het trouwens precies hetzelfde liedje. Het waren dagen om je administratie te doen, het schuurtje te schilderen, je schoonouders op bezoek te hebben - en net voor vijven nog even de laatste paar kilometer mee te pikken.

Geduldig

Er wordt gezegd dat het ligt aan de renners - ze zouden niet meer durven. Maar dat is te makkelijk. Renners (en zeker de kopmannen) worden niet betaald om kamikazeaanvallen op te zetten en 36e te worden. Ze worden betaald om resultaten te halen. En in de klimklassiekers is er op dit moment maar één manier om te scoren: door geduldig te zijn. Wie niet wacht, wie niet wint.

Het is schier onmogelijk om ver voor de streep te ontsnappen aan het peloton. Het niveau van de renners ligt dichter bij elkaar dan ooit doordat iedereen de beschikking heeft over de beste trainingsmethodes en topmateriaal. De ploegen - ook de kleintjes - zijn beter georganiseerd dan tien of twintig jaar geleden. En sinds de invoering van het bloedpaspoort vliegen er een stuk minder renners met kerosine in de aderen rond.

Bergop zit iedereen tegen zijn limiet en op de tussenstukken gaat het zó hard dat vluchten onmogelijk is. Het peloton zit op slot, met ijzeren kettingen en een slotgracht met krokodillen eromheen.

Zwaarder

De renners en de ploegen komen er zelf niet uit. Ze hebben hulp van buiten nodig om de kettingen door te knippen.

Van de organisatoren bijvoorbeeld. Die maken de klimklassiekers steeds zwaarder, en zwaarder, en zwaarder. Ze leggen er steeds meer bergjes in, zoeken naar steilere heuvels - en denken dat de koers daardoor spectaculairder wordt - terwijl het tegendeel waar is.

Hoe zwaarder de koers, hoe langer renners wachten om hun troeven uit te spelen. Zowel in de Gold Race als in de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik ligt het zwaartepunt diep in de finale; dat betekent dus ook dat de koers pas diep in de finale ontbrandt.

Ideeën

Waarom niet een klimklassieker eens een keer wat mínder zwaar maken, zodat de vedetten wel móeten aanvallen op de heuvels die erin opgenomen zijn? Of een finale uittekenen met iets minder steile hellingen? Is het écht nodig om 265 kilometer te rijden?

Wat als je de ploegen terugbrengt van acht naar zes man, zodat er minder knechten zijn die de gaten dicht rijden? En wat is er op tegen om eens een keer met de ploegen, de renners, de organisatoren en de UCI om tafel te gaan zitten en ideeën te verzinnen om wielrennen zo interessant mogelijk te maken voor een zo groot mogelijk publiek?

En als het dan nog steeds saai is, tja, dan is het maar zo. Koers is koers. Soms prachtig, soms retesaai. En dat is maar goed ook.

Schuurtjes moeten ook ooit geschilderd worden.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NUsport.nl.*