Het gebeurde op zondagmiddag, tijdens de eerste etappe van Parijs-Nice. Er was nog een kilometer of twintig te rijden, de camera volgde de strijd van een groepje renners dat was opgehouden door een valpartij.

Ze probeerden met de moed der wanhoop terug te komen bij het peloton dat even verderop reed. Met de tong op hun voorwielen hingen ze. Hun longen verzopen, hun benen stonden op breken. Ineens moesten ze uitwijken voor een object aan de zijkant van de weg.

Het object was zwart met wit en bewoog zo langzaam dat je nauwelijks kon zien of het voor- of achteruit ging. Amper een halve seconde was het object in beeld, maar het was genoeg om te zien dat het een rugnummer droeg: 121.

Hemel

Ik moest de startlijst erbij pakken om zeker te weten dat hij het echt was. Maar er kon geen misverstand over bestaan. Achter nummer 121 stond zijn naam: Andy Schleck.

Voor de jonge lezers: ooit, heel lang geleden, was Andy Schleck een van de beste wielrenners ter wereld. Hij kon demarreren zonder te ademen en hij fladderde tegen berghellingen op als een engeltje op weg naar de hemel. Hij won Luik-Bastenaken-Luik en de Tour (al was dat met dank aan een verkeerd biefstukje). En hij was op weg om nog veel meer te winnen, want hij was nog zo jong.

Maar Andy won de afgelopen seizoenen helemaal niks. Hij werd ook nergens tweede. Of derde. Of zelfs maar vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste of negende.

Andy's beste uitslag in de afgelopen tweeënhalf jaar is een tiende plaats in het kampioenschap van Luxemburg. (Luxemburg heeft blijkbaar nog negen andere renners.) Tijdens grote koersen stond hij meestal al onder de douche terwijl het peloton nog niet eens aan de finale was begonnen.

Dolfijntjes

Ik ben nooit een fan van Andy geweest. Hij en zijn broer Frank: ik vind het net dolfijntjes, met die spitse snoetjes en dat Luxemburgse geoink van ze.

En dat gedweep met elkaar: doodmoe werd ik ervan. Samen trainen, samen eten, samen vissen, samen op een hotelkamer, samen interviews geven, samen op het podium in Parijs. Behalve samen naar een gynaecoloog voor een trainingsschema, want alleen Frank kwam weleens over de vloer bij Fuentes - zeggen ze.

Tot overmaat van ramp wond Andy jarenlang ook nog allerlei prachtige vrouwen om zijn vinger, met dat magere dolfijntjeslichaam van hem. (Dat deed hij trouwens niet heel subtiel. Een vriendin van me vertelde me ooit dat ze het nummer van zijn hotelkamer kreeg van een soigneur, samen met een boodschap. Of ze a.u.b. meteen even langs kon komen. Andy had zin.)

Medelijden

Maar de afgelopen maanden roept Andy geen irritatie meer op. Wel medelijden. Toen ik zag hoeveelste hij was geworden in de eerste etappe van Parijs-Nice (156e, net voor de bezemwagen), dacht ik: ach gut, jongen toch. Iemand zielig vinden die de Tour heeft gewonnen en een miljoen per jaar verdient: het kan blijkbaar echt.

Alles aan Andy straalt een intense droefheid uit. Zijn schouders hangen laag, zijn mondhoeken nog lager. Zijn ogen staan op standje janken. Andy wil het niet meer. Andy kan het niet meer. De wind waait te hard, de bergen zijn te steil. Er is geen peloton meer dat hij kan volgen. Hij doet niet meer mee; hij is een object aan de kant van de weg.

Andy Schleck is allang gestopt met wielrennen.

Hij weet het alleen zelf nog niet.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NUsport.nl.*