Elke week stellen we een vraag aan Mart Smeets. Deze keer: De overmacht van Nederland in het schaatsen is groot. Is die misschien zelfs zo groot dat de lange afstanden in de toekomst van het programma verdwijnen? De sprintafstanden en het shorttrack hebben aan populariteit gewonnen. Ligt daar de toekomst?

Het is grappig om te zien hoe het schaatsen heel, heel langzaam verandert. Met de nadruk op langzaam. Een eeuw lang heeft de klassieke formule (500-1500-5000-10000 meter) bestaan, vaak tot tevredenheid van de kleine, internationale schaatswereld.

Zeker in de jaren 1900-1960 werd er nauwelijks over sprinters gesproken. Ja, in 1932, werd er stevig afgeweken van het normale patroon van schaatsen toen de Amerikanen in Lake Placid alle rijders tegelijkertijd wegschoten voor een zogeheten mass start. Omdat het koud was, omdat de Amerikanen geen zin hadden in een lang programma en omdat het overgrote deel van de deelnemers uit Noord-Amerika kwam.

Alles uit Europa schreeuwde moord en brand, de Amerikanen wonnen alles en weer thuis op het eigen continent besloten de traditionele (lees Scandinavische) landen dit niet meer te laten gebeuren.

Vier jaar later, in Garmisch, herstelden de Europeanen de orde en werd er weer gewoon in banen gereden en waren de Europese rijders weer de baas. Het spektakel had moeten plaatsmaken voor het bedaarde, overzichtelijke schaatsen in gemarkeerde banen met stoere mannen uit de klassieke schaatslanden: Noorwegen, Zweden, Finland, de drie Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen), Hongarije, Oostenrijk en voor het eerst een beetje Nederland.

Vergeet niet dat 'onze' Jan Langedijk vierde werd op de 5000 meter in 8.32; een voor die tijd geweldige prestatie. Om te bewijzen dat er toen nog geen gespecialiseerde sprinters waren: de Noor Ivar Ballangrud won de 500 meter en de twee langste afstanden, terwijl hij op de 1500 meter zeer nipt verslagen werd door zijn landgenoot Charles Mathiesen.

Bekende formule

Schaatsen was en bleef in de volgende decennia een sport met de bekende formule, verreden door mannen uit bekende landen. We moesten tot 1960 (Squaw Valley) wachten om weer eens een Amerikaan op het podium te zien; een echte sprinter die Bill Disney heette. Hij was een bezienswaardigheid daar en had er geen trek in langer dan 1500 meter te rijden. Dat deed niemand in dat land, dat was iets voor de Europeanen.

De eerste 1000 meter op olympisch ijs werd pas in 1976 verreden. De jonge Peter Mueller uit de Verenigde Staten won. Om zijn tijd van 1.19,32 moeten de vrouwen van nu een beetje lachen. Feit was wel dat die 1000 meter een ander soort schaatsers trok. De sprinter werd voorzichtig naar voren geschoven, hoewel de klassieke landen volhielden dat er maar één manier van een toernooi rijden was: de klassieke uitvoering.

Wanneer de eerste officiële sprintkampioenschappen verreden werden? Lach niet. Pas in 1970, in West Allis. Het eerste Nederlandse sprintsucces (lach wederom niet) was voor Ard Schenk, die in 1971 in Inzell brons binnenhaalde. Sprinten was dus ook het jachtgebied van de grootste allrounder die er in die dagen rondreed.

Toch zie je aan de uitslagen dat Japan, Zuid-Korea, de Verenigde Staten en Canada zich meer senang voelden in de sprintkampioenschappen. De klassieke landen deden toen nog in de kantlijn mee. Eric Heiden werd vier keer eerste en eenmaal tweede bij het sprintkampioenschap. Hij draaide zijn hand er niet voor om in de week nadien de allroundtitel binnen te halen.

Ja, sprinttoernooien duren niet zo lang. Ja, het publiek ziet snelheid en wordt niet de hele dag op de bank gehouden. Ja, een sprintkampioenschap is goed te verkopen voor de internationale (commerciële?) televisiewereld. Kort, swingend, spectaculair en overzichtelijk. Wat wil een mens nog meer?

Het IOC wil sowieso kortere programma's, het heeft niet voor niets allerlei moderne sporten op het programma gezet de laatste jaren? Toch houdt men in het schaatsen vast aan de klassieke afstanden.

Afgehaakt

Als er, op wat Nederlandse kilometervreters na, geen schaatsers hun vizier meer richten op de 5000 en 10000 meter, heeft de schaatssport dan nog wel toekomst in die vorm? Deze vraag zingt al een jaar of dertig rond bij de ISU, bij de KNSB, maar ook bijvoorbeeld bij de NOS. Andere televisiestations zijn allang afgehaakt.

Ja, een sprinttoernooi werk je snel af en kun je commercieel verkopen. Dat is een vette plus. Allrounden vraagt (slurpt) tijd, maar...Maar wat?

Maar, allrounden is de fundering van het schaatsen. Zegt men. Daarom houdt de ISU er nog enige tijd aan vast. Ja, ik geef toe, ik ben een kind uit de tijd dat allroundtoernooien gevolgd werden via uitslagenlijsten in de kranten. Dat schept een band met het aanraakbare verleden. Het is de hang naar het heroïeke, met de - van vroeger - buitenbeelden in de sneeuw.

De wereld verandert echter (en ik verander mee) en het schaatsen dus blijkbaar niet. Of? Er zal iemand op moeten staan, maar wie neemt die stap? Is het én/én? Is het én/of?

Kunnen beide kampioenschappen nog naast elkaar bestaan? De aanwas van allrounders in de gehele wereld stokt. Kijk naar de commerciële ploegen van Gerard van Velde en Jac Orie. Daar is geen allrounder aan te treffen. Niemand kan daar verder rijden dan 1500 meter. Kijk ook naar de ploeg van Gerard Kemkers. Daar is juist geen enkele echte sprinter aan te treffen.

Angstig

En wij weten inmiddels dat het Canadese schaatsen (en dat van de Verenigde Staten) op zijn kont ligt, dat daar geen fondsen meer zijn, dat de ijsbanen daar behoorlijk leeg zijn en blijven.

We weten ook dat het schaatsland Noorwegen vrijwel niet meer bestaat, dat Zweden van de aardbodem verdwenen is en dat je in feite blij moet zijn met welke nieuwkomer uit welk land dan ook: allrounder of sprinter; maakt niet uit.

De angstig hoge kwaliteit van de Nederlandse schaatsers en schaatssters wordt (zeker in de eerste dagen van de Spelen) onderstreept met medailles. En ja, je zou hopen op aanwas uit vele, vele andere schaatslanden. Weer: sprinter of allrounder.

En als het stokt bij de langebaanschaatsers, dan ligt shorttrack op de loer om duchtig te concurreren. Een snelle sport, met vaart in het programma, showy, aantrekkelijk voor de jeugd. En je hoeft niet met een krantenschema op de knie de hele middag te zitten kijken, schrijven en rekenen.