Hé Jan,

Hoe is het met je hoofd? Ik hoop voor je dat je er gisterenavond een paar teveel hebt gedronken. Want als er iemand een borrel verdiend had, dan was jij het wel. Alles wat oranje was liep rond met een glimlach van oor tot oor – en jij vroeg je alleen maar af waar je het had laten liggen.

Twaalf duizendsten. Hoe krijg je het voor elkaar? Vier jaar lang heb je alles gedaan voor die ene dag. Vier jaar lang dacht je aan gisteren als je opstond, als je ontbeet, als je op de plee zat, als je je het apelazarus trainde, als je tegen je vriendin zei dat ze het allerbelangrijkste van de wereld was, als je niet naar dat ene toffe feestje ging, als je in bed stapte en als je – nou ja, eigenlijk dacht je altijd aan gisteren. Aan de dag waarop je jezelf in de geschiedenis zou schaatsen. Je hele hebben en houwen zette je in op maandag 10 februari 2014 – en je strandde op een zucht.

Twaalf duizendsten. Ik heb het gisteren proberen te timen op mijn stopwatch. Het lukte me niet. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn om een seconde in 83 stukjes te delen. Het lukte me niet. Ik probeerde me voor te stellen hoe lang die twaalf duizendsten je zullen achtervolgen. Het lukte me niet.

Twaalf duizendsten. Jongen, wat ga je daar nog vaak aan denken. Het slijt vanzelf, zeggen ze. Ik geloof er niks van. Slijten? M'n reet. Over dertig jaar ben je nog steeds geen olympisch kampioen geworden in Sotsji.

Twaalf duizendsten. Je zult er zo vaak aan worden herinnerd dat je er knetter van wordt. In de rij bij de supermarkt ('Hé, ben jij niet die schaatser die nét geen goud won?'), in de kroeg ('Ken je die van die schaatser die dacht dat-ie gewonnen had?'), bij ieder interview dat je ooit nog geeft ('Vertel nog eens: hoe voelt dat nou, verliezen met twaalf duizendsten?').

Twaalf duizendsten. Twaalf fokking duizendsten. Eigenlijk wil ik het er niet eens over hebben. Je zult het niet zien en je koopt er niks voor, maar eigenlijk heb je die geschiedenis gisteren alsnog geschreven.

Jarenlang was jij de enige Nederlandse sprinter. Jarenlang vocht je tegen windmolens. Sprinten, dat was iets voor Japanners, Koreanen, Canadezen en Amerikanen. Nederlanders deden aan allround. Wie geen behoorlijke tien kilometer kon schaatsen, die was geen echte schaatser. Jij deed het anders. Je richtte je op de kortste, de meest risicovolle, en - zeker voor een Nederlander - de moeilijkste afstand van allemaal: de 500 meter. Ze moesten om je lachen, ze namen je soms in de zeik, ze zeiden lachend dat je maar naar Japan moest verhuizen. Je haalde je schouders op, je begroef je kin nog een beetje dieper in het ijs en je kleunde door.

Je hebt grenzen verlegd, Jan. Je hebt de weg geplaveid. Niet alleen voor jezelf, maar ook voor de sprinters die na jou kwamen. Oók voor de broertjes Mulder. Dat een van hen (het is ook niet eerlijk, zij zijn met z'n tweeën) nu met de hoofdprijs naar huis gaat, moet ongelooflijk veel pijn doen. Maar of het nu een paar maanden of een paar jaar duurt – ooit zal je het beseffen:

Die gouden medaille is ook (al is het maar een heel, heel, heel klein beetje) van jou.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NUsport.nl.*