Kampioenenmaker. Zwemprofessor. Jacco Verhaeren (44) won met zijn pupillen onder meer tien maal olympisch goud en hij bracht een cultuurverandering teweeg in het Nederlandse zwemmen. Per 1 januari vliegt hij uit, hij gaat in op een aanbod van de bond van Australië.

Hij kreeg geregeld aanbiedingen, maar telkens bedankte Verhaeren vriendelijk voor de getoonde interesse. In het buitenland waren ze natuurlijk niet gek, telkens kwam die Nederlandse cowboy weer op de proppen met zwemmers die medailles wegplukten op grote toernooien.

Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn, Ranomi Kromowidjojo en de estafettevrouwen pakten olympisch goud, maar met onder anderen Marcel Wouda, Inge Dekker, Marleen Veldhuis en Sharon van Rouwendaal vierde hij ook successen. Als er weer eens iemand informeerde of hij te bewegen was voor een overstap, had Verhaeren steeds dezelfde boodschap: hij was nog niet klaar in Nederland.

Een jaar geleden trad hij terug als zwemcoach, zijn taken droeg hij over aan oud-pupil Wouda. Verhaeren kon de taken van technisch directeur en coach niet langer combineren. Hij wist dat Nederland de afgelopen twintig jaar afhankelijk was geweest van een paar supertalenten die de medailles binnen harkten.

Verhaeren zag het als zijn taak om een beleid uit te stippelen dat ertoe moest bijdragen dat er meer kinderen zouden gaan zwemmen en de vijver van talenten waaruit gekozen kon worden in de toekomst groter werd. Na de afgelopen WK in Barcelona, begin augustus, opperde hij dat het beter was om bij het schoolzwemmen meer te focussen op de sneller aan te leren borstcrawl dan de veel lastigere schoolslag. En in zijn ogen was het beter om van jongs af aan meer competitie in het zwembad te krijgen.

Dit alles om ervoor te zorgen dat het niveau van de zwemmende jeugd omhoog ging en het voor kinderen aantrekkelijker werd om voor zwemmen te kiezen. Zijn plannen voor nieuwe lesmethoden riepen meteen weerstand op bij het Nationaal Platform Zwembaden.

Gevecht

Vaak moest hij het gevecht aan gaan om mensen te overtuigen van zijn gelijk. Tal van keren stuitte Verhaeren op weerstand. Het opzetten van twee nationale trainingscentra, in Eindhoven en Amsterdam, zorgde voor rumoer. Net als zijn keuze voor de trainers die wel en niet voor de bond mochten werken. Die weerstand ervoer hij eigenlijk al vanaf het eerste moment dat hij aan de weg begon te timmeren als zwemcoach. Bij de WK in Barcelona, dit jaar, sprak NUsport uitgebreid met Verhaeren en Van den Hoogenband over de beginjaren en de Spelen van 1996 in Atlanta, waar zij beiden debuteerden op het hoogste podium.

Verhaeren en Van den Hoogenband leerden elkaar kennen na de Jeugd Olympisch Dagen in Eindhoven in 1993. 'VDH' wilde de volgende stap maken, maar bij de zwembond ontbrak het aan visie en geld. Op de Spelen van 1992 was het kommer en kwel met de Nederlandse zwemploeg.

VDH vroeg zijn vader Cees Rein om hulp. De chirurg en hoofd medische begeleiding van PSV richtte Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland op en hij vond tal van ondernemers bereid een groepje talentvolle zwemmers te sponsoren. Er was plots geld voor een trainer. Meteen viel het oog op Verhaeren, die slaagde er in Maastricht en tijdens zijn diensttijd in Breda in om middelmatig getalenteerde zwemmers heel hard te laten zwemmen.

VDH over het eerste gesprek: "Kwam hij aan in zo'n klein rotautootje. En hij had echt een prachtige vriendin bij zich. Het was de tijd van Baywatch. Het was net of David Hasselhof met een gruwelijk lekker wijf aan kwam lopen. Zweminhoudelijk had hij de mooiste ideeën. Uiteindelijk vroeg ik hem wat zíjn doel was. Jacco zei: 'Ik wil de beste zwemtrainer van de wereld worden.' Toen heb ik hem de hand geschud en gezegd: 'Jou moet ik hebben'."

Verhaeren was afgestudeerd als zwemtrainer aan het CIOS in Sittard, maar er was in Nederland verder niemand van wie hij het vak kon leren. Hij keek goed naar wat de Amerikanen deden, trendsetters als het om zwemmen ging. VDH: "Jacco vond dat zij onzinnige meters maakten in het bad en dacht meteen: hier liggen kansen voor ons als wij het slimmer aanpakken, meer op kwaliteit dan op kwantiteit gaan trainen. Dat kwam ook nog eens goed uit: wij konden niet onbeperkt gebruik maken van het badwater, daar hadden we het geld niet voor."

Verhaeren: "Het was pionieren. We hadden wel een trainingsplan, maar dat was niet op ervaring gestoeld." Coach en pupil experimenteerden erop los. Het was zoeken naar de grenzen van VDH en een aanpak en programma waar zijn lichaam goed op reageerde. "Ik had een rotsvast vertrouwen in wat Jacco deed en in het programma dat hij schreef. En ondertussen hamerde hij alleen maar op techniek. Een vader van een van de zwemmers trok op zaterdag een duikerspak aan om met een cameraatje filmpjes te maken vanaf de bodem. Daarna gingen we met Jacco in zijn appartementje hele dagen de beelden analyseren."

Beginnersfouten

Van den Hoogenband werd vierde op zowel de 100 als 200 meter vrije slag op de Spelen van 1996. Zijn destijds nog maar 27-jarige coach vertrok met zeer bruikbare informatie uit Amerika. VDH: "Het belangrijkste: we kregen in Atlanta de bevestiging dat onze aanpak de goede was, één waarmee we ons konden onderscheiden."

Verhaeren: "We hadden zoveel beginnersfouten gemaakt, konden zoveel beter. In Atlanta kwam een einde aan de chaotische periode. Ik was zoveel wijzer geworden. De structuur moest worden aangescherpt."

Er werd aan het duo getrokken, er lagen in 1996 aanbiedingen voor Verhaeren en VDH om buiten Nederland te gaan trainen. De Amerikanen stonden met een vette cheque klaar na de Spelen. NOC*NSF-voorzitter Wouter Huibregtsen wilde een vertrek voorkomen. "Hij vroeg wat hij kon doen om ons in Nederland te houden", vertelde Van den Hoogenband. "Wij zeiden: 'We hebben 75.000 gulden nodig, meneer Huibregtsen.' Dat was goed. Nou, daarmee konden we alles doen wat we wensten. We hadden het zwemmen in Nederland in beweging gebracht en wilden verder. We hadden sponsors en het NOC achter ons staan en de resultaten die geen Nederlandse man ooit had neergezet."

Verhaeren: "Onze aanpak zorgde voor flink wat weerstand. Het was de transitieperiode van het Nederlandse zwemmen, die was al aangebroken na de Spelen van 1992. Ik had het geluk dat ik niet zelf op hoog niveau had gezwommen en dat ik ook niet op was gegroeid in de cultuur van voor 1992. Ik deed het op mijn manier, met veel oog voor techniek, en trok me van niemand iets aan."

Met de successen wist hij zijn zwemevangelie op steeds meer mensen over te brengen in Nederland. Met ziel en zaligheid ging de bevlogen coach en technisch directeur verder op zijn ingeslagen weg. Hij leek zich door niets of niemand van de wijs te laten brengen. Vlak voor de Spelen in Londen, tijdens een trainingskamp in Tenerife, legde ik hem de stelling voor dat het nergens op sloeg dat Nederlandse zwemmers naar het buitenland gingen om te trainen.

Verhaeren antwoordde: "Ik denk dat we de structuur op dit moment in Nederland zo goed hebben dat er bij ons minstens net zoveel mogelijk is of zelfs nog meer als in het buitenland. Maar er zijn soms andere redenen waarom zwemsters toch voor iets anders kiezen. Als ze alle mogelijkheden hebben benut in Nederland en ze voelen dat ze een andere coach of omgeving nodig hebben om de volgende stap te maken, wie ben ik dan om ze tegen te houden?"

Aderlating

Nu gaat hij dus zelf, is er dan toch nog de transfer. Hij gaat naar Australië, het land van Kromowidjojo's rivale Cate Campbell, daar waar zwemmen een veel grotere sport is dan hier.

Het is de nieuwe uitdaging en de kans om in de keuken te kijken Down Under waar zwemfanaat Verhaeren dit keer geen 'nee' meer tegen kon zeggen. Zijn vertrek is een ongekende aderlating voor het Nederlandse zwemmen. Want er is niemand met zoveel kennis, enthousiasme en bevlogenheid te vinden als Jacco Verhaeren.