Van Anthony Lurling kun je een hoop dingen zeggen, maar niet dat hij half werk levert. Als hij zichzelf voor lul zet, dan doet hij het met overtuiging.

Door Thijs Zonneveld

Opgepakt worden in de rij bij snackbar Kees Kroket vanwege een ruzie over voordringen: dat is zelfs nog een graadje erger dan naar Feyenoord vertrekken en er in Rotterdam achter komen dat je niet in De Kuip durft te voetballen.

Het mooiste van het kroketincident van afgelopen zaterdagnacht was dat Lurling tijdens de ruzie tegen een groepje pubers krijste: "Weet je wel wie ik ben?" Daar had ik graag bij willen zijn. Vooral omdat Anthony één meter twintig groot is en een heel hoog piepstemmetje heeft.

Voor de leken onder u die niet weten wie Anthony Lurling is, hier een korte uitleg: Lurling is een voetballer met twee specialiteiten: pingelen en gele kaarten aansmeren. Het is vooral vanwege dat laatste dat zijn moeder en haar beroep in stadions veel worden bezongen.

Snoezige kereltjes

Lurling doet al een jaar of tweehonderd mee in de eredivisie; hij stamt uit de tijd dat mannen bolhoeden droegen en Hugo Walker commentaar deed ("Lurling jongen, zou ik niet doen als ik jou was"). Seizoen na seizoen prijkt zijn hoofd op een voetbalplaatje, iedere keer met minder haar. Hij speelt tegen jochies die zijn zoon of zijn neefje hadden kunnen zijn.

Steeds jonger worden ze, en ieder jaar worden het er meer. Zakaria Bakkali, Richairo Zivkovic, Viktor Fischer - het zijn snoezige kereltjes met moeilijk haar en puistjes op hun voorhoofd, die nog u zeggen tegen de ballenjongens.

Maar zodra die snoezige jongetjes begin twintig zijn verdwijnen ze naar een andere competitie. De oudere, minder talentvolle voetballers - de Lurlings - blijven over. Zo gaat het al jaren, denken we, maar stiekem gaan de snoezige jochies steeds eerder naar het buitenland. Tegenwoordig zelfs naar clubs als Hannover 96, Norwich City en Oekraïense teams met zeventien medeklinkers achter elkaar in de clubnaam.

De eredivisie is net Anthony Lurling. We piepen tegen iedereen die het horen wil "Weet je wel wie we zijn?", maar ondertussen wordt de nummer vijf van vorig jaar (FC Utrecht) in de obscure kleineclubjeskwalificatiefase van de Europa League uitgeschakeld door een stel Luxemburgse postbodes, groenteboeren en natuurkundeleraren. De nummer vier (Vitesse) werd eruit geknikkerd door het altijd lastige Petrolul. En ondertussen trekt Louis van Gaal vrolijk met Stefan de Vrij en Ruben Schaken richting het WK in Brazilië.

Gouden Maserati

Natuurlijk sta ik straks - zo hypocriet ben ik wel - vooraan te juichen als het goed gaat, maar ik maak mij een beetje zorgen over de anthonylurlisering van het Nederlandse voetbal. We zijn lang zo goed niet als we denken dat we zijn. Niet op het veld, en zelfs niet ernaast.

In Italië hebben ze Mario Balotelli, die elke week - gewoon, voor de lol - een gouden Maserati te pletter rijdt tegen een gevel. In Engeland betaalt Wayne Rooney ieder weekend een fortuin aan een willekeurige voorbijgangster als hij even tegen haar aan mag swaffelen. In Argentinië hangt Lionel Messi - al dan niet gephotoshopt - met zijn neus in de voorgevel van een veel te blonde stripper. In Frankrijk koopt Zlatan Ibrahimovic een zessterrenhotel omdat hij geen zin heeft om een huis te zoeken.

En wij hebben Anthony Lurling die voordringt in de rij bij Kees Kroket.

Beter hadden de verhoudingen niet geschetst kunnen worden.