Lieve klotespuit, 

Door Thijs Zonneveld

Je lag op het bovenste plankje van de minibar. Mijn ploeggenoot Aurélien vroeg of ik je wilde. Ik ging op mijn knieën zitten en keek naar jou. Jij keek naar mij.

Je knipoogde naar me. Je fluisterde lieve woordjes in mijn oor. Je had het over winnen, over splijtende demarrages, over heroïsche solo's, over onvermoede krachten, over macht, over geld, over rondemissen met zachte welvingen, over krijsende mensenmassa's, over dromen, over sterren, over de maan, over vliegen.

“Ah toe”, zei je, “neem me.”

Ik zou liegen als ik zou zeggen dat je me niks deed. Ik wilde je wel, maar ik wilde je ook niet. Ik geloofde je en ik geloofde je niet. Ik hunkerde naar je en ik haatte je. Ik twijfelde. Ik werd verscheurd.

Groene slurf

Doping is angst en liefde tegelijk. Je weet dat het niet mag, je weet dat het niet goed voor je is, je weet dat je kans loopt dat je kinderen worden geboren met een groene slurf op hun voorhoofd - maar die spuit is tegelijkertijd de kortste route naar succes.

Daar, op het bovenste plankje van de minibar, lag de sleutel tot alles waarvan ik had gedroomd. Ik kon nog zo hard trainen, nog zo weinig eten, nog zo vaak voor tienen naar bed gaan, nog zoveel feestjes overslaan, maar met mijn gebrekkige talent zou ik zonder kerosine in mijn aders nooit de top halen.

Zou ik nooit een dik contract tekenen. Zou ik nooit de beste zijn, zelfs niet een paar minuten lang. En waarom zou ik het niet doen? Er waren er zoveel die hetzelfde deden, toch?

Topsport is een spagaat. Aan de ene kant vragen we van sporters dat ze altijd winnen, dat ze tot de grens gaan en erover. Het publiek juicht alleen voor winnaars, de media tillen slechts de vedetten op het paard, de sponsor trekt alleen de portemonnee voor succes, ploegleiders bieden slechts vette contracten aan renners die met hun armen omhoog over de finish rijden.

Achterkamertjes

Alles draait om winnen, alles gaat om resultaat, maar de sporter zelf moet zijn drang naar resultaat beheersen als er een spuit vlak voor hem of haar ligt. En als we erachter komen dat hij té graag wilde winnen, dan hangen we hem op. De kop van Jut is altijd de sporter, nooit het systeem of de cultuur erachter. We hangen een paar wielrenners op en we gaan verder waar we gebleven waren.

Sport is een uitvergroting van de maatschappij. Daarin draait het ook om status, geld en macht. Het hele leven is een constante strijd tussen resultaat en integriteit - en uiteindelijk wint resultaat bijna altijd. Hoogleraren frauderen onderzoeken bij elkaar, politici maken geheime afspraken in achterkamertjes, stukadoors sauzen je muurtje zwart om de prijs te drukken, bankiers duwen mensen nog een extra hypotheek door hun strot om hun bonus te scoren. Het verlangen naar doping zit in ons allemaal.

Ach, spuit, lieve klotespuit, ik heb je niet opgepakt. Ik durfde niet. Ik kon het niet. Ik wilde het niet. Daar, op die hotelkamer, op mijn knietjes voor de minibar, schoot het door mijn hoofd: winnen is niet alles.

Denk ik.

Hoop ik.

Bid ik.