Noorse jongedames die op geheel eigen wijze het embleem van hun favoriete voetbalclubs laten zien... Pak ons dat niet af, monsieur Platini! 

Door Menno Pot

Eén van mijn wonderlijkste dagen als voetbalsupporter was toch wel de dag waarop een vrouwelijke supporter van IK Start ons welkom heette in Noorwegen door voorover te buigen, haar rokje op te tillen en mij en mijn vrienden te vragen wat we van haar billen vonden.

Het was in een café in Oslo, 14 september 2006, een handvol uren voor aanvang van de UEFA Cup-wedstrijd IK Start - Ajax, maar dat deed er zelfs tóen niet heel veel toe, laat staan nu.

Ze heette Tove en ging voor de gelegenheid gekleed als een voetballer van IK Start: geel thuisshirt en voetbalkousen, alleen droeg ze in plaats van de bijpassende zwarte voetballersbroek een zwart minirokje, dat ze optilde om te laten zien dat ze eronder een geel IK Start-slipje droeg, met clubembleem.

Ik moet zeggen: het was een mooi embleem.

Pianobar

De rest van de middag trokken we op met Tove. Ze kwam (net als IK Start) uit Kristiansand, maar het lokale stadionnetje voldeed niet aan de UEFA-eisen en daarom was ze haar club gevolgd naar Oslo, met nog zo’n 1800 Start-fans.

Tove nam ons mee naar een verlopen pianobar waar een biertje naar Noorse maatstaven spotgoedkoop was (vijf euro) en waar een pianist die op Boris Becker leek de slechtste Robert Cray Band-covers speelde die ik ooit hoorde. Memorabel.

Ze liet ons zien dat ze de telefoonnummers van bijna alle selectiespelers van IK Start in haar mobieltje had staan. Ze kenden haar wel, zei ze, en eerlijk gezegd zag ik geen enkele reden om daaraan te twijfelen.

Ik vermoedde dat ze voor de meeste van die spelers ook wel eens haar rokje had opgetild. Ook vermoedde ik dat ze bij die gelegenheden niet altijd haar IK Start-slipje aan had. En waarom ook? Die jongens kenden dat clublogo natuurlijk allang.

IK Start - Ajax was ver vóór de aftrap een geweldige wedstrijd. In Lillestrøm zagen we die avond bijna evenveel doelpunten als toeschouwers: zeven, waaronder twee van jongens uit het digitale telefoonboekje van Tove.

Veldwachter

Een appartementencomplex lag zo dicht tegen het stadionnetje aan dat de 124 meegereisde Ajacieden vanuit het veel te grote uitvak eenvoudig de balkons konden betreden - en dat ook deden. De dienstdoende veldwachter bleef er rustig onder, want het balkonmeubilair bleef heel en de supporters stelden zich op de balkons veelal beleefd voor aan de bewoners.

Lang verhaal kort: ik vind dat de Europa League moet blijven, al was het maar omdat ik voetbaldagjes zoals hierboven beschreven in Champions League-verband zelden of nooit meemaak.

Als het aan UEFA-baas Michel Platini ligt, gaat de voormalige UEFA Cup weer eens flink op de schop en wordt hij misschien wel helemaal opgeheven. Dan zou het aantal Champions League-deelnemers kunnen worden uitgebreid naar 64.

Aan de ene kant begrijp ik wel dat een lichte paniek Platini in de greep heeft gekregen nu zelfs Nederlandse clubs duidelijk laten merken dat de UEFA dat hele toernooi wat hun betreft kan steken waar de zon niet schijnt.

Aan de andere kant... Champions League-wedstrijden zijn als diners in een driesterrenrestaurant: geweldig om af en toe een chique avondje op dat culinaire niveau mee te maken, maar vaker dan zes keer per jaar hoeft het ook weer niet.

Grijze worst

Het is ook wel eens leuk om in een oude taveerne in een Roemeens provinciestadje voor twee euro zestig een bord knoedels en grijze worst voorgezet te krijgen, weg te spoelen met een kroes troebel lokaal bier.

Elke voetbalsupporter heeft, zéker na twee seizoenen doelloos meehobbelen op het doodgereguleerde kampioenenbal, recht op minstens één dag zoals wij die beleefden in Oslo, op 14 september 2006, zo’n voetbaldag waarop de wedstrijd zelf eerder een hinderlijke onderbreking vormt dan het hoogtepunt. Dan maak je nog eens iets wonderlijks mee.

De Europa League moet blijven, monsieur Platini. U komt duidelijk te weinig meisjes als Tove tegen.