Soms vraag ik me af hoe het met Floyd Landis is. Of met Jörg Jaksche. Of met Filippo Simeoni. En met die andere wielrenners die de afgelopen twintig jaar publiekelijk durfden te spreken over pillen, spuiten en dubieuze doktoren.

Door Thijs Zonneveld

Ze verbraken de stilte, één voor één, sommigen gedwongen, anderen uit vrije wil – en daarna werden ze uitgekotst door hun collega’s, met de nek aangekeken door toeschouwers en uitgemaakt voor verraders en hypocrieten. Zelfs David Millar wordt door veel van zijn (oud-) collega’s gezien als hypocriet. Wie de belofte om te zwijgen breekt, hoort er niet meer bij. 

Vorige week zat Steven de Jongh bij Pauw & Witteman om te praten over zijn dopingbiecht. Dat was dapper, maar hij had er ook kunnen zitten met zijn mond dicht. Nu praatte hij veel, maar zei hij niets, vooral niet over anderen. Hij keek bij elke vraag in de camera’s als een konijn in de koplampen van een naderende auto.

Ik had het graag anders gezien, maar ergens snap ik hem wel. Hij is als wielrenner opgevoed met de zwijgplicht. Hij heeft dingen gezien die hij niet mocht zien, hij heeft dingen gehoord die hij niet mocht horen en bovenal: hij is prof geworden in de verkeerde tijd.

Angstcultuur

Plaats jezelf eens in zijn situatie. Je barst van het talent, je traint je het leplazarus, je telt 
elke calorie op je bord, je gaat elke avond voor tienen naar bed, je verliest je vrienden omdat je nooit op een feestje komt, je ziet je vrouw en kinderen nauwelijks omdat je altijd onderweg bent, je dwingt jezelf dag in dag uit pijn te lijden, je ziet elke koers af tot de zwarte sneeuw voor je ogen dwarrelt, maar je rijdt nooit een platte prijs – en dan ineens hoor je dat er een drieletterig middel bestaat dat nauwelijks opspoorbaar is, waarvan je tien procent harder gaat fietsen en dat door het grootste deel van je collega’s al gebruikt wordt. Wat zou jíj doen?

Elke beslissing wordt gemaakt vanuit liefde of angst. De beslissing om doping te gebruiken komt voort uit het laatste. Degenen die naar de spuit grijpen, doen dat omdat ze bang zijn dat anderen het ook doen, dat ze zonder doping niet meespelen voor de knikkers. Als er genoeg bang zijn, ontstaat er een angstcultuur. Je spuit en je houdt je bek, of je spuit niet en je houdt ook je bek. Want wie praat, die heeft geen toekomst in het peloton.

Hypocriet

De waarheid is soms een kaal, goor ding. Iets dat vies smaakt in je mond als je ’m uitspreekt; als een keutel die er via de verkeerde uitgang uitkomt. Maar hoe smerig de waarheid ook is: hij moet eruit. Als het wielrennen uit deze crisis wil komen, moet de omerta worden doorbroken. Door gebruikers en niet-gebruikers. Zo niet, dan blijven we bezig met het verleden en draait het wielrennen zichzelf de nek om.

Praat toch, alsjeblieft jongens, praat toch. Vertel je eigen verhaal, en het liefst ook dat van anderen. Win de toeschouwers terug voor de sport voordat het te laat is. Daarvoor is veel lef nodig en begrip van het publiek. Natuurlijk, dopinggebruik 
is niet goed te praten. En ja, het is hypocriet om een vet contract te verdienen dankzij dopeshit en er jaren later toch spijt van te hebben.

Maar beter een hypocriete held dan helemaal geen held.