Erik staarde naar het tafelblad. De baas van de bank zat tegenover hem. Hij roerde in zijn koffie; het lepeltje tikte eindeloos lang tegen het kopje met het logo van de bank erop. De lucht in de kamer was zwanger van onheil.

Door Thijs Zonneveld

Toen de baas zijn koffie op had zette hij het kopje op het schoteltje. 'Erik', zei hij, 'we moeten je laten gaan.'

Eigenlijk wist Erik al wat de baas tegen hem zou zeggen voordat hij het zei. Wie bij de baas op kantoor moet komen weet dat het niet is om een biertje te drinken of te kletsen over het weer.

Misschien had Erik zelfs al veel langer kunnen weten dat de bank hem eruit zou gooien. Erik is nooit de manager geweest die hij had moeten zijn. Hij keek de verkeerde kant uit toen Michael Rasmussen de dopingcontroleurs fopte met onjuiste adressen, hij had niet zoveel zin om mee te doen aan coachingscursussen, hij trok een pelotonnetje renners aan die het toch net-niet waren.

Hij was er wel, maar hij was er ook niet. In de Giro van 2009 zat hij als ploegleider in de auto, maar hij sprak soms urenlang geen woord door de radiootjes. Een renner zei later eens tegen me dat ze af en toe dachten dat 'Breuk' helemaal niet achter het peloton reed maar ergens langs de kant van de weg een uiltje knapte.

Van Basten

Erik doet me denken aan Marco van Basten. Hij wordt gescheiden van de rest van de wereld door een overdosis talent. Net als Marco begrijpt hij niet wat middelmaat is, zelfs niet eens hoe subtop voelt. Hij kan zich niet identificeren met zijn eigen sporters, laat staan dat hij ze kan coachen.

Hij heeft nooit gevoeld wat het is om wedstrijd na wedstrijd voorbij te worden gereden als een kilometerpaaltje, om bang te zijn van je tijdritfiets, om je benen te horen ontploffen op ieder pietluttig viaductje.

Ik heb Erik ooit eens bij een NK langs de kant geobserveerd toen de Rabo's kansloos in de pan werden gehakt; hij keek ernaar en snapte er niets van. Als hij een stripfiguur was geweest, dan hadden er vraagtekens boven zijn hoofd gehangen.

Lovehandles

Zou Erik wel eens boos zijn geweest? Ooit? Op een renner die met een paar lovehandles te veel begon aan het seizoen? Op een kopman die het weer niet waarmaakte? Op een veel te dunne Deen die deed alsof Mexico in de Dolomieten lag?

Ik denk het niet.

Erik wordt niet boos. Erik scheldt niet. Erik smijt niet met bidons of puddingbroodjes in de ploegbus. Hij slikt alles weg. Beleefdheid gaat nu eenmaal voor alles – zo is dat hem geleerd door zijn vader en moeder. Erik is altijd keurig netjes: zijn stem is zacht, zijn woorden nog zachter.

Als je hem tegen komt vraagt hij hoe het met je gaat, hij fietst mee voor het goede doel en hij wil met iedereen op de foto. Doe hem een stropdas om en je kunt hem zo achter het loket van de plaatselijke bank kwijt. Misschien dat hij daarom wel bij de bankierende wielerploeg belandde.

Erik is de liefste, aardigste, netste man die ik in de hele wielerwereld ken. Echt. Maar misschien is dat nu juist wel het probleem.

Lieve mannen winnen niet.