Het kan zijn dat u nog nooit van Wilco Kelderman gehoord heeft. Mocht dat het geval zijn: houden zo. Ik vraag u vriendelijk om meteen te stoppen met het lezen van deze column.

Door Thijs Zonneveld

Het kan ook zijn dat u wel van Wilco Kelderman gehoord heeft. Dan weet u vast ook dat hij bij Rabobank fietst en afgelopen week de jongerentrui in het Criterium du Dauphiné won. 21 Jaar oud is het joch pas, maar hij deed nauwelijks onder voor de beste ronderenners van het moment.

In de lange tijdrit werd hij doodleuk vierde - ruim voor Tourwinnaar Cadel Evans, en bergop verloor hij nauwelijks terrein. Wilco fietste niet goed, Wilco fietste angstaanjagend goed. Wat hij deed kon eigenlijk niet.

21-Jarige jochies horen met grote ogen om zich heen te kijken en blij zijn als ze op tijd binnen komen in de gruppetto - ze horen niet mee te doen in de top tien van het klassement van de Kleine Tour.

Moeras

Het was maar goed dat er elders in Europa nog een voetbaltoernooitje werd gespeeld, anders waren we er meteen met z'n allen bovenop gesprongen en was Wilco gebombardeerd tot potentieel Tourwinnaar. Verwachtingen opkloppen, daar zijn wij in Nederland namelijk sterk in.

Met alle gevolgen van dien: zodra er een renner is die kan tijdrijden én kan klimmen, dan eisen we dat hij binnen een paar jaar op het podium in Parijs staat. We roepen zo hard dat we er zelf in gaan geloven, en voordat we het weten is zo'n jonge renner verzopen in een moeras van verwachtingen.

Neem Remmert Wielinga - half mens, half buffel. Hij reed in de Dauphiné van 2003 zomaar ineens met de beste renners van de wereld omhoog en werd halsoverkop geselecteerd voor de Tour van dat jaar.

Het liep uit op een fiasco: Remmert (eigenlijk is dat ook geen naam voor een wielrenner) gaf gedesillusioneerd op en zou er nooit meer bovenop komen. Hij bekende later dat hij pelotonvrees had - een nogal lastige handicap voor een wielrenner.

Neem Pieter Weening. Hij was nog niet goed en wel begonnen aan zijn avontuur in het profpeloton toen Bert Wagendorp hem bij wijze van literair experiment naar een toekomstige Touroverwinning besloot te schrijven.

Hartstikke leuk, totdat iedereen het serieus begon te nemen. Van Pieter werd niets minder verwacht dan een Tourzege. Weening was er op een gegeven moment 'helemaal klaar mee' en nam genoegen met een rol als knecht.

Thomas Dekker

Neem Thomas Dekker. Als iemand het zou moeten doen, dan was hij het. Daar was hij het zelf trouwens helemaal mee eens. Maar Thomas kon het geduld niet opbrengen om langzaam te groeien; hij zocht de gele trui in een spuit en werd betrapt.

Maar Wilco Kelderman is niet Remmert Wielinga, Pieter Weening of Thomas Dekker. En hij is ook niet Robert Gesink of Bauke Mollema. In zijn onvolgroeide lichaam schuilt een motor met ongeloofwaardig veel pk's: bij de laboratoriumtests in januari scoorde hij het hoogste van de hele Rabo-ploeg.

Met zijn mentale weerbaarheid is ook niet veel mis: nadat hij hard op zijn hoofd was gevallen in de Ronde van Catalonië moest de dokter van de ploeg hem verbieden om de eerstvolgende wedstrijd te rijden. Wilco was woest. Wat kon hem die koppijn nou schelen - hij wilde koersen!

Heel misschien wint Wilco Kelderman, ooit, als alles meezit, wel de Tour. Maar dat kunnen we beter nog even geheim houden. Hoe minder aandacht en druk, hoe groter de kans dat hij ooit in de buurt komt. U heeft deze column dus niet gelezen. Wilco Kelderman bestaat niet.

Nog niet.