Chicci. Petacchi. Guardini. Belletti.
Bennati. Ferrari. Favilli. Benedetti.
Guarnieri. Colli. Napolitano. Nizzolo.
Ginnani. Cipollini. Grillo. Modolo.

Door Thijs Zonneveld

Klinkt lekker hè, zo'n rijtje Italiaanse sprinters. Spreek de namen achter elkaar uit en je waant je op een Toscaans terrasje waar serveersters met veel te lange benen komen vragen of je nog een cappuccino wilt. La vita è bella. Op papier dan.

Want in het echt is dat pelotonnetje Italiaanse sprinters een stel idioten. Ze beuken, ze kwakken, ze geven kopstoten en ze slingeren met zeventig kilometer per uur van links naar rechts over de weg.

Ze wagen hun leven, en dat van anderen. Elke keer verbaas ik me er weer over dat ze dat mogen van hun moeders.

Misschien is het de espresso. Ik weet niet hoeveel kopjes die Italiaanse spurtbommetjes wegtikken voordat ze op de fiets stappen, maar sommige rijden rond met pupillen zo groot als tennisballen. Strak staan ze, de hele dag lang. Na de finish moet je ze opvangen met een vangnet, anders rijden ze nog honderd kilometer door.

Cafeïnecoma

Roberto Ferrari verkeerde vorige week in zo'n diepe cafeïenecoma dat hij niet eens in de gaten had dat hij het halve peloton (inclusief de wereldkampioen en de rozetruidrager) wegvaagde met één belachelijke kamikazeactie.

Zijn enige commentaar toen hij na afloop werd geconfronteerd met de beelden: 'Het kan me niet schelen wat er achter me gebeurt.' Tuurlijk Roberto. Neem er nog eentje.

Misschien is het de testosteron. Die spuit uit hun oren. Ze fokken zichzelf net zolang op totdat ze grommen als een Neanderthaler. Blinde woede, bord voor de kop. Wielrennen is oorlog: ze zijn testosteronbommen en -granaten op twee wielen. En het wordt er niet beter op als ze in de laatste kilometers de rondemiss ruiken.

Misschien is het de finishlijn. Zet tien Italiaanse sprinters in de laatste kilometer van een Italiaanse wedstrijd en je weet hoe het eindigt: met piepende remmen, krakende botten en de geur van verbrand vlees op het asfalt. Of het nu in de Giro d'Italia is of in de Giro di Weetikveelwatvooreengehucht – ze geven zonder problemen een been voor de zege, of anders hun moeder.

Kopstoot

Ik heb ooit Danilo Napolitano (die man heeft een stoppelbaard zo dik dat hij 'm scheert met een schuurmachine) van te dichtbij aan het werk gezien in de laatste kilometer. Toen hij ingesloten dreigde te raken gaf hij een kopstoot aan de renner links van hem (ik heb nu nog steeds wel eens last van migraine), en de renner rechts schakelde hij uit alsof hij Bruce Lee was: hij klikte uit zijn pedaal en schopte het stuur onder de arme jongen vandaan.

Toen het slachtoffer werd afgevoerd met een ambulance stond Danilo te grijnzen op het podium, met zijn Rambo-armen om de tailles van de rondemissen geslagen.

Ach. Stiekem is het natuurlijk gewoon jaloezie. De Italianen hebben een peloton sprinters, wij hooguit een handvol. En die heten geen Roberto Ferrari of Alessandro Petacchi, maar Theo Bos en Kenny van Hummel (zeg nou zelf: dan sta je meteen met 3-0 achter). Waar de Italianen in iedere massasprint met z'n vijven bij de eerste tien staan, daar moeten wij het doen met een spaarzame ereplaats.

Misschien moeten we er toch maar een paar espressootjes extra in gooien.