Al een week of drie gonst de titel van een goed geschreven boek door de Nederlandse media. De kunst van het veldspel luidt de vertaling van het Amerikaanse boek The art of fielding.

Toegegeven: de Nederlandse titel bekt niet, loopt niet lekker en is het net niet, maar probeer maar eens iets beters te vinden.

Om dit flink uit de kluiten gewassen (sport)boek echt goed te kunnen begrijpen moet een mens:
1. Kennis hebben van de werken van de Amerikaanse schrijver Melville;
2. In elk geval de basisregels van honkbal kennen;
3. Weten hoe het sociale leven op Amerikaanse colleges in elkaar steekt.

Stel: je weet niets van honkbal. Je hebt tot je gekregen dat Nederland wereldkampioen is geworden, maar je weet bij god niet wie de closer van Nederland was in de finale.

Wat dan? Snap je dan het hele boek niet? Nee, maar enige kennis van de sport strekt tot aanbeveling. Stel: je weet het verschil niet tussen een junior en een freshman? Zelfs dan kom je eind door de ruim vijfhonderd pagina’s heen.

Ik las kritieken van geëerde scribenten als Elsbeth Etty (NRC) en Gerry van der List (Elsevier). Ik wil beiden niet bij voorbaat (sportief) degraderen, maar of ze de basisregels van honkbal kennen?

Van der List mogelijk wel, Etty zeker niet. Dat maakt haar niets minder als criticus, maar of ze de juiste portee uit het boek heeft gehaald? Dat is zeer de vraag.

Waar spektakel

Honkbal is America’s national pastime. Een sport die zich schijnbaar in slow motion afspeelt, maar die gecompliceerd tot de derde macht blijkt te zijn. Goed honkbal is een waar spektakel en voor schrijver dezes zonder meer de mooiste sport die er bestaat.

Zet mij voor straf elke dag bij een MLB-wedstrijd en het leven nadert volmaaktheid. Binnen dat honkbal (en de kenners weten dat) zitten honderdduizenden verhalen opgesloten, er zijn duizenden boeken over geschreven en er verschijnen, in het seizoen, elke dag nauwkeurig bijgehouden cijferreeksen die voor de leek volledig abracadabra zijn, maar die door de insiders gespeld en begrepen worden.

Nog zoiets: bij honkbal wordt een veldfout openlijk op het scorebord getoond en later in de score vermeld. Met naam en al. De enige sport waarbij dat gebeurt. Het streven is dus: foutloos spelen, iets dat geen levend wezen gegeven is en toch streeft iedereen daarnaar.

Liefhebber

Als je tegen een honkballiefhebber van nu zegt dat de hoofdrolspeler van het door de Amerikaan Chad Horbach geschreven The art of fielding ‘De ziekte van Chuck Knoblauch’ oploopt, weet die liefhebber waar het over gaat.

Knoblauch was een uitstekende tweede honkman bij de Yankees toen hij ineens, onaangekondigd, aangooifouten ging maken. Zijn fielden van de bal bleef fantastisch, maar de aangooien naar het eerste honk of naar ‘thuis’ zeilden vaak langs zijn ploeggenoten (eenmaal raakte een door Knoblauch volkomen uit koers gegooide bal de moeder van de bekende sportcommentator Keith Oberman in haar gezicht).

Knoblauch werd naar het verre veld verbannen en speelde nog even als linksvelder alvorens te stoppen met honkbal: hij kon de bal niet meer naar de plek gooien die hij zich voornam.

Vóór Knoblauch was dat al eens gebeurd bij spelers als Steve Sax en Steve Blass, beiden toppers die ineens, om volkomen onbekende redenen, hun precisie gingen missen en nooit meer terugvonden. In het boek krijgt de hoofdrolspeler dit syndroom.

Ex-pitcher Ron Darling, die het boek las en er enthousiast over was, reageert in een boekenkritiek met deze vertelling: “In 1988 gooide ik voor de Mets tegen de Phillies. Negende inning en twee man uit. We stonden op de drempel van het kampioenschap. Ik stond op de heuvel en keek in het publiek. Ik zocht mijn ouders, want ik was benieuwd hoe zij erbij zaten.”

“Mijn volgende worpen bereikten nooit hun doel. Sterker nog, ik wist niet hoe ik de bal in de buurt van de catcher moest krijgen. Onverklaarbaar, maar het gebeurde.”

Niets meer waard

Dus: de hoofdrolspeler heeft fabelachtig voetenwerk, hij komt altijd achter de bal, zijn oog-hand coördinatie lijkt in orde, maar dan komt het moment dat hij moet gooien. De bal doet niet wat de hersens van hoofdrolspeler Henry Skrimshander willen; als honkballer, als aankomend prof (bij St. Louis) is hij ineens niets meer waard.

En eigenlijk gaat het om dat gegeven: dat wij mensen op enig moment niet kunnen uitvoeren dat anders, vroeger, gisteren wel gebeurde. We weten hoe het moet, maar ergens tussen hersens en uitvoering zit een knik.

Waar Skrimshander in een lange reeks wedstrijden foutloos speelde (zijn handschoen noemde hij Zero, naar zero errors), krijgt hij ineens geen bal meer goed.

De verwikkelingen rond dat alles zijn die van een kleine, liberale universiteit die ergens ten noorden van Milwaukee aan de boorden van Lake Michgan ligt.

Dee gebeurtenissen zijn grappig, spannend, sadistisch, mooi en lief. De kamergenoot van de hoofdpersoon stelt zich voor als : “I am your mulato gay roommate”. Later bloeit een liefde op met de dean (rector) van de school, nadat een door Skrimshander verkeerd gegooide bal zijn kamergenoot recht in het gezicht heeft getroffen.

Onbreekbare band

Wat boven alles staat: de trouw tegenover de ploeg, de onbreekbare band tussen de spelers onderling en het niet te breken vertrouwen in elkaar. Als de hoofdrolspeler op onhandige wijze de liefde bedrijft met een vrouw die een week eerder het bed deelde met de catcher van de ploeg, zou dat reden kunnen zijn voor een totale breuk in de ploeg, te meer daar die catcher de guardian angel van de korte stop is.

Dat is het dus niet. De ploeg gaat voor alles, hoe wreed de buitenwereld ook zijn sporen rond de ploeg nalaat. Liefde (homo en hetero, beide mooi en zonder sensatie beschreven) en dood hangen rond de ploeg als een lichte mist.

De basis van alles is dus eigenlijk the yipps, want zo wordt ook wel die merkwaardige eigenschap de bal niet meer gericht naar een doel te kunnen gooien genoemd.

Wij mensen, zo leer je uit het boek, hebben allen, op enig moment, in werkelijk alles wat we doen the yipps. We kunnen ons doel niet meer raken, we falen. Hoe dan ook. Daar gaat het dus eigenlijk over.

En o ja, die closer voor de Nederlandse ploeg in Panama heet David Bergman. Grappig maar waar: bij zijn clubteam is hij een uitstekende starter, toen de ploeg hem nodig had, bleek hij te kunnen closen. De ploeg ging dus voor alles. Zoals altijd. Als het goed is.