HOOFDDORP - De Nederlandse atlete Fanny Blankers-Koen is zondag op 85-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar dochter zondag bekendgemaakt. Ze was al geruime tijd ziek en verbleef in een verpleegtehuis in Hoofddorp. Fanny Blankers-Koen wordt donderdag in Hoofddorp begraven.

Bekijk video: Modem/ Breedband

Fanny Blankers-Koen is de meest tot de verbeelding sprekende Nederlandse atlete aller tijden. Daar staan haar vier gouden medailles tijdens de Olympische Spelen van 1948 in Londen garant voor. Het leverde haar de bijnamen 'Vliegende huisvrouw' en 'Flying Dutchmam' op. De gouden plakken in het Wembleystadion van Londen veroverde Blankers-Koen op de onderdelen 100 m, 200 m, 80 m horden en 4x100 m estafette. In totaal greep ze 58 nationale titels en stelde ze 21 wereldrecords scherper. In 1982 werd de Hoofddorpse in New York uitgeroepen tot beste atlete in de olympische geschiedenis. In november 1999 volgde in Monte Carlo de uitverkiezing tot atlete van de eeuw.

Fanny kon als kind al in vele takken van sport goed uit de voeten. Zo blonk ze uit in zwemmen, gymnastiek en atletiek. Op een gegeven moment vroeg vader Koen de plaatselijke badmeester voor welke sport hij zijn dochter het meest geschikt achtte. Het antwoord was: atletiek. Haar ontwapenende 'doping' bestond uit levertraan en bruine bonen.

De eerste wedstrijd liep ze op spikes van een kennis, die veel te groot waren en met watten waren opgevuld. De meeste indruk maakte ze in de begintijd merkwaardig genoeg als hoogspringster, niet als sprintster. Haar eerste Nederlandse record kwam op de 800 meter tot stand. Onder de toeschouwers van die wedstrijd was haar latere coach en man Jan Blankers, die veel meer in haar zag als sprintster. Ze trouwde in 1940 met de sportjournalist.

Hoogtepunt

Fanny Koen maakte op 18-jarige leeftijd de Olympische Spelen van Berlijn (1936) mee. Ze werd zesde op hoogspringen en vijfde met de estafetteploeg. Door een vergissing stond ze niet ingeschreven op de sprint. Twee jaar later werd ze op de EK derde op de 100 en 200 meter. In 1941 werd Fanny voor het eerst moeder, maar ze ging gewoon door met topsport, al kon ze niet vaker trainen dan twee keer per week. Later kreeg ze nog een kind. Op de EK van Oslo in kende ze een overladen programma met vijf nummers, maar ze won alleen de 80 m horden.

Haar hoogtepunt kwam op de Olympische Spelen van 1948 in Londen, waar ze haar programma zorgvuldiger uitkoos. Ze was al dertig jaar en door sommigen als 'te oud' bestempeld. Haar successen waren onvergetelijk. Als het trouwens aan Fanny zelf gelegen had, zou ze halverwege al naar huis zijn gegaan. "Ik miste mijn kinderen vreselijk. Ik zat maar te huilen in de kleedkamer. Mijn man zei dat ik eeuwig spijt zou hebben als ik zou weggaan. Hij kreeg gelijk.'' Heel Nederland stond op zijn kop na het viervoudige goud, dat haar ten deel viel. Haar beloning was typisch Nederlands: een fiets. Ze bleef er nuchter onder en had snel de stofdoek weer in de handen. "Wat willen de mensen dan? Dat ik tussen de bloemen voor me uit ga staren?''

Afscheid

In 1952 deed ze als 34-jarige opnieuw aan de Spelen (in Helsinki) mee. Het werd een deceptie. Een jaar later nam ze afscheid na een onvergelijkbare atletiekloopbaan, die ruim twintig jaar had geduurd. Op de Spelen van 1960 in Rome was Fanny Blankers-Koen coach van de nationale vrouwenploeg. In de eerste jaren van de 21e eeuw, de laatste jaren van haar leven, deed ze niet meer denken aan de sterke atlete-van-toen. Schrijver Kees Kooman publiceerde in juni 2003 de biografie 'Een koningin met mannenbenen', waarin hij ingaat op de lijdensweg van Blankers-Koen. "Ze verblijft in een verpleeghuis, waar ze zich nauwelijks bewust is van welke werkelijkheid dan ook.''

De vliegende huisvrouw takelde de laatste jaren lichamelijk in rap tempo af. Ze kreeg een hartinfarct in de wachtkamer van haar huisarts en later kreeg ze de ziekte van Alzheimer en enkele herseninfarcten. Het atletenlichaam van Blankers-Koen wilde niet van opgeven weten, waar haar geest al had gecapituleerd, zo beschreef Kooman. "Ze slijt haar laatste jaren in een diepe, bodemloze eenzaamheid, waar slechts de dood verlichting kan bieden.''