Ik wees naar het ding op het stuur van zijn racefiets en vroeg hem wat het was. Een nieuwe kinky hartslagmeter misschien?

Een futuristisch stuk techniek om het wattage nog nauwkeuriger te meten? Of toch een hyperultramodern ingebouwd navigatiesysteem? Bauke Mollema schudde zijn hoofd. Dat ding op zijn stuur, dat was een bel.

Een bel. Een huis-tuin-en-keuken-bel. Gewoon eentje die tring tring doet als je er een lel aan geeft. Hartstikke handig, vond Bauke. Dan hoefde hij tijdens trainingen niet te roepen als hij er langs wilde. Ik luisterde er met open mond naar. Een bel op een racefiets - ik heb altijd gedacht dat zoiets niet mocht. Dat zoiets helemaal niet kon.

Daar bestaan regels voor in het peloton. Een bel, dat is iets voor wielertoeristen. Voor oude grijze mannetjes die tochtjes door de polder maken en voor bierbuiken die op de enige mooie zondag van het jaar hun roestbak van zolder halen. Een bel, dat is verboden voor profwielrenners. Ook tijdens trainingen. Toch? Bauke haalde zijn schouders op. Wat kon hem dat schelen. Aan regels doet hij niet. Nooit gedaan ook.

X-factor

Zijn shirt wappert, zijn oren flapperen, zijn stijl is niet mooi, maar stiekem zijn alle wielrenners jaloers op hem. Want Bauke heeft de X-factor die heel weinig sporters hebben: hij denkt voor zichzelf. Hij laat zich niet beïnvloeden. Bauke is honderd procent Bauke. Hij hoeft geen hippe schoentjes en ook geen zonnebril van een kek merk, hij geeft niets om de kleur van zijn sokken.

Precies drie paar stopte hij in zijn koffer toen hij naar de Tour de France van dit jaar ging. Die waren na één week regen allemaal grijs. Ik ken renners die daar slapeloze nachten van zouden krijgen; Bauke interesseerde het geen klap.

Grijs, wit, zwart of pimpelpaars met een bruin randje, sokken zijn sokken. Net zoals een fiets een fiets is. Zet hem op een fiets die drie maten groter of kleiner is en hij rijdt net zo hard. Dat bewees hij toen hij als belofte per ongeluk de fiets van iemand anders meenam en daar pas na de finish achter kwam.

Russische huurlingen

De afgelopen weken reed hij rond in Spanje. Op z’n Baukes. Schokkend, zwoegend, harkend. Hij verbaasde iedereen, behalve zichzelf. Want je kunt jezelf niet verbazen als je oprecht en terecht gelooft dat je alles kunt. Hij durfde de lat hoog te leggen, hij durfde te koersen om te winnen, hij durfde ervan te balen dat hij het podium niet haalde.

Zondag veegde hij nog wel even de puntentrui mee door een oude Spanjaard en zijn Russische huurlingen te verschalken in het laatste sprintje. Hij moest er na afloop hard om lachen.

Zonder ongelukken is Bauke volgend jaar kopman in de Tour, al dan niet met Robert Gesink. Dat past hem een stuk beter dan die bij elkaar gegoochelde knechtenrol van afgelopen zomer. Elke dag in de weer voor iemand anders? Niks voor hem.

Laat hem zijn eigen ding maar doen. Sleurend, wapperend, flapperend. Want hij weet zelf het beste waar hij heen wil: rechtdoor, naar de horizon. En daar moet alles voor wijken. Tring tring. Bauke moet erdoor.

Een bel op een racefiets. Waarom ook niet?