Vroeger was niet alles beter…het was anders. Voor diegenen die het niet weten of er nooit van gehoord hebben: ooit bestonden in Amsterdam de zogenoemde populaires.

Wedstrijden voor baanwielrenners in het Olympisch Stadion, dat toen nog een betonnen wielerbaan van 500 meter lengte kende.

Die populaires vonden plaats op donderdagavond en werden, bij goed weer, bezocht door zeker twintigduizend en soms meer toeschouwers.

Bij een groot affiche liep het stadion bijna vol.

Ze vonden plaats in de jaren zestig en zeventig. Baanwielrennen was in die tijd een geaccepteerde volkssport waar veel mensen in Europa op af kwamen. In Amsterdam, Rotterdam en Groningen reed men deze, licht aan circus herinnerende, attracties.

Spektakelman

Nederland had in Jan Derksen en Arie van Vliet sprinters van onwaarschijnlijke wereldklasse gehad. Gerrit Schulte trok in zijn eentje 40.000 toeschouwers naar het stadion en later dienden zich volgende generaties baanrenners aan.

Sprinters als Piet van der Touw, Piet van der Lans, het befaamde duo Gerritsen-Paul. Peter Post de achtervolger, Frans Mahn de spektakelman, Tiemen Groen de onbegrepen Friese tijdrijder die het cement in Amsterdam aan stukken reed en de mensen laaiend enthousiast op de banken kreeg.

Speaker in die jaren was een man die zijn zinnen altijd op dezelfde manier begon: “Hallo, hallo…” of “Motoren in de baan”, nadat hij de aanwezigen op de eerste rij had verzocht de kleding niet over de balustrade te hangen.

Minder vedetten

Een sprinttoernooi, achtervolgingsraces, puntenkoers, een wedstrijd ‘over onbekende afstand’, tandemraces en dan kwamen de grote motoren in de baan… Amsterdam ronkte en het publiek genoot.

Langzaam maar zeker verdween het enthousiasme voor baanwielrennen in ons land. Er was nog een opleving bij de Zesdaagse van Maastricht, maar het Olympisch Stadion nam afscheid van het cement. Er konden ook geen wedstrijden meer gereden worden in Nijmegen en Utrecht en we hadden steeds minder vedetten.

Na een flinke periode van droogte kwam er ineens een indoorbaan in Alkmaar. En zo kwam er later ook weer een Zesdaagse van Rotterdam, eentje in Amsterdam en een baan in Apeldoorn, waar nu zelfs de wereldkampioenschappen plaatsvinden.

Golden Theo Bos

In veel landen bestaat de echte baancultuur nog. Maar bij ons hangt het er een beetje bij. Het is er, er bestaan in ons land verrekt goede rijdsters en rijders, we winnen ook wel eens wat, maar baanrennen heeft nooit meer het grote publiek van weleer kunnen terugverdienen.

De komst van Golden Theo Bos leek een snelle opleving in te zetten, maar ergens stagneerde het toch weer.

Hebben de wielerliefhebbers in Nederland geen liefde meer voor de baan? Trekken we wel, in oranje gekleed, naar Alpe d’Huez en de Champs-Élysées, drinken we ons klem bij een augustuscriterium in den lande en laten we Apeldoorn links liggen?

Sensatie voelen

Ik weet dat je er komende dagen spannende sport kunt zien. Neen, geen “Hallo Hallo” meer maar dat was een watermerk van een tijd die achter ons ligt.

Het feit dat Bradley Wiggins na Milaan - San Remo in een streep naar Apeldoorn reed, zegt genoeg. Hij wilde de baan op. Hij wilde de sensatie voelen van dat rondrijden op een piste.

Nu het publiek nog.