In de eredivisie is geen exceptionele speler meer te vinden, er zijn weer voetbalplaatjes en voetballers met matjes in de nek. 1983 is terug!

Voor de Albert Heijn in Bergen (NH), waar ik afgelopen weekeinde verzeild raakte, plaatst men op zaterdag een dranghek om te voorkomen dat nietsvermoedende klanten worden besprongen door zwermen schooljongetjes, jagend op voetbalplaatjes.

Voetbalplaatjes! Ik verzamelde ze zo’n beetje tussen 1982 en 1988. Panini. Je kreeg ze niet gratis bij de supermarkt, maar kocht ze bij de sigarenboer.

Het lijkt wel 1983, dacht ik, en realiseerde me dat ik dat die woorden een paar dagen eerder ook had gehoord uit de monden van een aantal Ware Voetbalkenners uit mijn omgeving. Niet op nostalgische, maar eerder apocalyptische toon: Afellay weg, Suarez weg... Vanaf heden is schraalhans weer keukenmeester in de eredivisie: “Het lijkt wel 1983.”

Grauwe stamppot

Haute cuisine zullen we niet meer voorgeschoteld krijgen in de eredivisie, somberden ze. Vanaf nu is het elke week grauwe stamppot met vette jus. Pap zonder krenten. Alleen Twente heeft nog een ‘speler van de buitencategorie’ lopen: Bryan (oftewel TAFKAR: The Artist Formerly Known As Ruiz). Voor de voetbalfijnproever wordt het een hel.

Ik prijs me gelukkig dat ik geen voetbalfijnproever ben, maar een eenvoudige tribunebewoner die doorgaans maar wat met zijn gappies staat te ouwehoeren achter het doel, zonder zinnige gedachten over de staat van het Nederlandse voetbal.

Uiteraard geef ik dat niet toe wanneer ik met Ware Voetbalkenners in gesprek raak. Dan trek ik meestal een ernstig gezicht, kijk ik met een droeve blik voor me uit en knik ik zo’n beetje mee: wat je zegt, Afellay, Suarez... waar moet dat heen met de eredivisie?

Niet ontbolsterd

In werkelijkheid maak me er niet veel zorgen om. Ik ben van bouwjaar 1975, werd voetballiefhebber in 1983 en hoor dus tot een generatie die zich werkelijk een hoedje schrok toen Nederlandse voetballers (Ajax, PSV, AC Milan, Oranje) in 1987 en 1988 plotseling internationale prijzen begonnen te winnen.

Aan kwaliteitsvoetbal waren we domweg niet gewend. De generatie-Cruijff was voor ons net zoiets als The Beatles: niet meegemaakt, geen herinneringen aan. De generatie-Gullit/Van Basten was nog niet ontbolsterd. Mijn generatie werd voetbalgek in de ‘tussenjaren’: het Nederlandse voetbal stelde niets voor.

Bij de gemiddelde eredivisiewedstrijd zaten 3000 mensen op de tribune en Nederlandse voetballers vonden het een prachtige stap hogerop wanneer ze naar België of Zwitserland konden. Oranje plaatste zich nooit voor de grote toernooien.

Schaar van Tahamata

De Nederlandse clubs vlogen altijd in de eerste ronde uit de Europacup, tenzij ze de mazzel hadden een tegenstander uit Cyprus, Liechtenstein of Luxemburg te treffen: dan gingen ze er in de tweede ronde uit.

In de hele eredivisie was geen ‘voetballer van de buitencategorie’ te bekennen. Bennie Wijnstekers, Edo Ophof, Jos Roossien, Hendrie Krüzen, Gène Hanssen, Koos Waslander. Stamppot boerenkool. Veel briljanter dan een schaar van Simon Tahamata in een voor 25% gevulde De Meer werd het niet, in de eredivisie.

Eredivisievoetbal dat geen moer met de internationale top te maken heeft; mijn generatie is ermee opgegroeid, schrikt er niet van en bewaart er eigenlijk wel plezante herinneringen aan, zoals supporters van Go Ahead Eagles en Veendam er anno 2011 ook niet onder gebukt gaan dat er bij hun clubs geen Europees toptalent rondloopt.

Vlassig voetballerssnorretje

De eredivisie mag van mij best terug naar 1983. Nog mooier zou het zijn wanneer ook het matje en het vlassige voetballerssnorretje uit die jaren terugkeerden, waardoor voetballers van 22 eruit zagen als mannen van 45. Voetbalplaatjes verzamelen wordt daar nóg leuker van.

In Bergen gaf ik mijn voetbalplaatjes aan het jongetje dat er het netst om vroeg. Hij scheurde de verpakking open en haalde als eerste Donny Gorter van NAC tevoorschijn, één van de weinig eredivisiespelers met een authentieke ‘coupe 1983’: een matje à la Pierre Littbarski.

Donny’s vader Edwin was ook voetballer. Hij had in 1983 een krullende mat én een vlassig snorretje en speelde bij DS ’79. Dat weet ik, want ik had hem drie keer dubbel.