Naar aanleiding van onze Maradona-special regende het berichtjes in onze mailbox. De meeste gelukkig positief, maar een belangrijk smaldeel vond het veel te veel eer voor een, ik citeer, ‘cokesnuivende delinquent uit een ver-van-mijn-bed-land’.

Door Edwin Struis

Dat Diego Armando Maradona de beste voetballer ter wereld was en voor altijd zal blijven, kan er bij deze mensen niet in. Ze wijzen ons op het bestaan van ene Pelé, dan wel Johan Cruijff en sommigen durven de vergelijking met Zinedine Zidane ook nog wel aan.

Al deze Diego-haters zou ik willen toevoegen dat ze eraan mogen zuigen en blijven zuigen, maar dat is wat al te makkelijk. Het mag dan zo zijn dat de uitspattingen van ‘Pluisje’ buiten het veld hem niet bepaald tot rolmodel maakten, maar binnen de lijnen was er geen betere.

Fijnproevers

Oké, Pelé werd vaker wereldkampioen, maar dat kwam vooral omdat hij om zich heen een groep fantastische voetballers had verzameld. De fijnproevers zwijmelen nog steeds weg bij het horen van namen als Garrincha, Didi, Vava, Tostão, Jairzinho, Gerson en Rivelino. Toen Pelé in 1962 al in een vroeg WK-stadium geblesseerd raakte, werden de Goddelijke Kanaries ondanks zijn afwezigheid ‘gewoon’ wereldkampioen.

En Pelé bleef altijd veilig in Zuid-Amerika voetballen, op een lucratief uitstapje naar New York Cosmos na. Nooit vertoonde hij z’n kunsten in de beste competities ter wereld.

Maradona deed dat wel en hoe. Hij maakte van een lelijk Italiaans eendje een prachtige zwaan door Napoli voor het eerst in haar bestaan naar een scudetto te leiden. Het hoogtepunt van zijn oeuvre vond plaats in 1986 toen hij bijna in z’n eentje zijn land wereldkampioen maakte.

Idoolverhogend

Of was dat soms de verdienste van Cuciuffo, Olarticoechea, Giusti en Enrique om maar wat vergeten generatiegenoten te noemen. Zijn dribbels, balbehandeling, overzicht en schotkracht waren en blijven ongeëvenaard, al doet Lionel Messi een manmoedige poging om aan te haken.

Al zijn avonturen buiten het veld werken in mijn geval alleen maar idoolverhogend. Zijn verslaving, het afkicken op Cuba, zijn bijna-dood-ervaring, zijn capriolen als bondscoach van Argentinië, never a dull moment met ‘El Diez’.

Eén van die momenten mocht ik live aanschouwen. Het was op 4 juli 1998, de dag van de WK-kwartfinale tussen Nederland en Argentinië. Gezeten aan het ontbijt in een hotel te Marseille kreeg ik van een collega via de telefoon het dringende advies om croissant en baquette even links te laten liggen en zo snel als mogelijk naar het zwembad toe te komen.

Open mond

Daar aangekomen zag ik Hem staan. Hij hield op de rand van het bassin een balletje hoog, de muziek van Opus (Live is Life) dacht ik er zelf bij. Hij was al wat uitgedijd, maar de bal deed nog precies wat hij wilde. Met open mond keken we toe.

Toen hij zich dreigde terug te trekken in het hotel, pakte ik snel m’n toegangskaartje uit m’n kamer en holde hem achterna voor een handtekening. Hoewel ik niet de enige bleek, werkte hij het rijtje van adepten keurig af.

Die dag werd nog onvergetelijker toen Nederland Argentinië versloeg (Dennis Bergkamp!) en we ’s avonds op de terugweg hoorden dat Duitsland uit het toernooi was gekegeld door Kroatië. Dat kaartje heb ik nog steeds. Af en toe werp ik er een blik op en zie ik de krabbel van 'El Pibe d’Oro', de beste voetballer ooit.

Edwin Struis is voetbalverslaggever van NUsport.