Hij rijdt op een brommer. Hij prutst met de tijd. Hij snijdt af. En vooral: hij is een dief. Fabian Cancellara heeft mijn mooiste verhaal gestolen.

Vorige week keek ik in een Vlaams café – nog geen tien meter van de finish van de Ronde van Vlaanderen – naar twee wielrenners die tegen een Muur opfietsten. De ene droeg een Zwitserse kampioenstrui, de andere een Belgische. Het hele café prevelde schietgebedjes voor de Belgische kampioen. Tom Boonen is nu eenmaal heilig in Vlaanderen. En zeker op de zondag van de Vlaamse Hoogmis.

Maar hoe hard ze ook prevelden: toen Cancellara de gashendel opendraaide, was hij weg. De camera zoomde in op Boonen, zoomde daarna uit om Cancellara te vangen – maar hij was nergens te bekennen. Er werd nog verder uitgezoomd. Nog verder. Daar was hij – in honderd meter had hij tweehonderd meter voorsprong genomen. En in de volgende twintig seconden won hij er vijfentwintig op Boonen.

Afgesneden

Een man naast me sloeg op de tafel. Hij stond op, wees naar de tv en riep met overslaande stem: ‘Dat kan niet! Dat kan niet! Hij heeft afgesneden! Hij heeft met de tijd geprutst! Hij speelt vals!’ Zijn vrouw sloeg een arm om hem heen. De man schudde zijn hoofd en stamelde: ‘Cancellara is een smeerlap.’ Het hele café was het met hem eens. Behalve ik.

Fabian Cancellara kan van mij niet vaak genoeg winnen. Dat is niet omdat ik een Cancellara-hooligan ben, maar omdat elke overwinning me de kans geeft een anekdote uit een oude doos op te diepen. Eentje waarin ik zelf de hoofdrol speel. Zo ijdel ben ik wel.

Mongolenwaaier

2002. Koers: De Ronde van Drenthe – de Nederlandse versie van Parijs-Roubaix. Tweehonderd kilometer hotseklotsen over kasseien, klinkers en verkeersheuvels. Ik reed in een vaal oranje shirt en een broek vol gekleurde tegeltjes, Fabian Cancellara in een nog veel lelijker tenue: dat van Mapei. We waren allebei 21.

Na een kilometer of honderd belandden we allebei in de mongolenwaaier. Ik geloofde erin dat we terug konden komen, Fabian niet. Ik sleurde op kop in een uiterste poging 29e te worden, de jonge Zwitserse brommer hing achterin en dagdroomde van Parijs-Roubaix, de Ronde van Vlaanderen en geel in de Tour.

Nadat we de VAM-berg (ja, de Ronde van Drenthe heeft bergen) waren gepasseerd, was Cancellara nergens meer te bekennen. Gelost. Ik werd 41e, Cancellara eindigde als zoveelenvijftigste. Later hebben we nooit meer tegen elkaar gereden. Conclusie: Zonneveld – Cancellara: 1-0.

Brommershow

Het verhaal wordt met elke overwinning van Cancellara mooier. Ik heb het de afgelopen week minimaal twintig keer verteld. Zondag, toen Cancellara bezig was met een brommershow op weg naar Roubaix, besloot ik de uitslag van De Ronde van Drenthe 2002 op te zoeken om ‘m uit te printen en in te lijsten. Fluitend scrollde ik door de archieven van wielersites. Af en toe keek ik met een schuin oog naar het beeldscherm waarop Cancellara zijn concurrenten belachelijk maakte.

Na een kwartiertje zoeken had ik de uitslag gevonden. Mijn ogen gleden over de namen. Bij de 40e plek stond mijn naam. Daarna zocht ik naar de naam van de brommer. Zoveelenveertig, zoveelenvijftig, zoveelenzestig, zoveelenzeventig: nergens te bekennen. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Spitte de lijst nog een keer door. Ook bij het rijtje opgevers stond hij niet. Voor de zekerheid checkte ik de namen die van de renners die vóór me waren geëindigd.

Op plek 29 stokte mijn adem. Fabian Cancellara. Hij was meer dan zeveneneenhalve minuut voor me gefinisht. Ik stond op van mijn stoel. Wees naar mijn computer. Riep: ‘Dat kan niet! Dat kan niet! Hij heeft afgesneden! Hij heeft met de tijd geprutst! Hij speelt vals!’

Shock

Daarna ging ik zitten en staarde in shock naar de laatste kilometers van de brommerparade naar Roubaix. Naar de man die me van mijn mooiste verhaal heeft beroofd. Toen Cancellara over de streep reed, stonden de toeschouwers in het Velodrome op de banken. Ik niet. Cancellara is een smeerlap.