Ricky zegt niets meer. Ricky doet geen rare dingen meer. Ricky schiet geen ballen meer tegen de lat. Ricky is Rick geworden. Of hij doet alsof.

Ik ga er niet omheen draaien. Ricky van den Bergh is mijn favoriete voetballer. Niet omdat hij zo’n mooie passeerbeweging of zo’n onverwoestbare wedstrijdmentaliteit heeft, maar omdat hij Ricky is: de enige voetballer in de eredivisie die weigert te doen wat al die andere voetballers doen.

Ricky luistert niet naar de trainer. Ricky schiet vrije trappen tegen de lat omdat dat veel knapper is dan in het doel. Ricky zegt tegen de camera wat hij vindt, niet wat hij geleerd heeft bij de mediatraining. Ricky bindt de hartslagmeter om de buik van zijn hond als hij huiswerk meekrijgt om zijn lovehandles weg te werken.

En als die hartslagmeter wordt ingeruild voor een kilometerteller, dan hangt hij ‘m om de rollator van zijn oma. Bij andere voetballers zouden mijn tenen er krom van gaan staan. Niet bij Ricky. Want hij is nu eenmaal Ricky.

Atteveld

ADO-trainer Raymond Atteveld kon Ricky minder waarderen dan ik. Atteveld trok aan Ricky’s oren, Ricky werd boos (gokje: daar zijn een paar honderd kankâh’s door de kleedkamer gevlogen) en ziedaar: een ruzie was geboren.

Technisch directeur André Wetzel somde in een tv-programma op wat er allemaal fout was aan Ricky. Het was een lijst zo dik als een telefoonboek. Detail: Wetzel noemde Ricky Rick. Dat klonk heel volwassen. En dus heel raar.

Uit de selectie

Ricky kreeg straf. Geen extra push-ups, geen bosloop, geen zweepslagen, maar iets veel vreselijkers dan dat: hij werd uit de selectie gezet. Tot kerstmis hoefde hij zich niet te vertonen. Twee maanden zonder voetbal: het was zo ongeveer het ergste wat Ricky had kunnen overkomen.

Na één dag straf begon de cold turkey al te kakelen. Hij kreeg uitslag op zijn wreef en lag ’s nachts rillend naar het plafond te staren. Overdag trouwens ook. Hij trok zijn voetbalschoenen aan en liep over de keukenvloer, op zoek naar dat geluid van noppen in de spelerstunnel.

Hij ging in zijn uppie naar het pleintje om de hoek en schoot er urenlang tegen de garagedeur van nummer 16. Ricky wist dat hij die twee maanden zonder voetbal niet zou overleven. Er zat maar één ding op: excuses.

Op zijn knieën

Op zijn knieën klopte hij aan bij spelers, trainers, voorzitters, penningmeesters, koffiejuffen en terreinknechten. Of ze hem asjeasjeasjasjeblieft terug wilden nemen. Hij zou het nooit meer doen. Geen woedeaanvallen meer. Geen rare fratsen meer. Geen scherpe randjes meer. Hij beloofde het. Ricky zou Rick worden. Kleurloos, kil en gepolijst als een perfect ronde sneeuwbal.

Twee wedstrijden heeft Rick inmiddels weer gevoetbald in het eerste van ADO Den Haag. Hij staat op het veld, maar hij is er niet. Geen vrije trappen op de lat, geen onnodige rode kaarten, geen woorden recht uit zijn hart tegen de camera. Tegen AZ legde hij een corner precies op de kruin van een medespeler.

Die hoefde er alleen nog maar tegenaan te lopen om de inswinger te promoveren tot doelpunt. Op de een of andere manier slaagde hij erin de bal ernaast te krijgen. Rick vertrok geen spier. Hij vloekte niet eens. Zijn gezicht bleef emotieloos. Ik werd er heel treurig van.

Vermoord

Ik vreesde dat ze Ricky hadden vermoord. Helemaal op het moment dat André Wetzel nog maar eens de media opzocht om te vertellen dat Rick zonder zijn toestemming al vóór kerstmis was teruggekeerd. Hij wil ongetwijfeld dat Rick alsnog een paar weken straf uitzit. Zucht.

Ik had al afscheid van Ricky genomen. Maar toen sijpelde het bericht door dat oud-ADO-speler Sjaak Polak het slachtoffer was geworden van een grap. Sjaak was gebeld door iemand die zich voordeed als presentator Jan-Joost van Gangelen. Sjaak werd uitgenodigd om als analist op te treden bij het tv-programma Eredivisie Live en reed voor joker naar Alkmaar. Ik wist genoeg.

Ik durf te wedden dat er vandaag of morgen een sneeuwbal tegen de voordeur van André Wetzel of Raymond Atteveld dreunt. Zo’n perfecte ronde. Maar dan wel met een verse hondendrol erin. En Ricky? Die weet nergens van.