Dacht dat we van hem af waren, van die ‘doodgewaune’ Rotterdamse gozert. Met zijn krokodillentranen. Met zijn lelijke dubbelhandige forehand. Met zijn blonde hockeymeisje dat na iedere service koste wat kost in beeld genomen moest worden.

Maar we waren niet van hem af. Te vroeg gejuicht. Raemon Sluitert kwam terug. Hij was ‘nog niet klaar met ut spellutje’. Ach gut. Stond hij weer op de baan. Met stramme gewrichten, grijze haren en een buikje.

En wij ons maar hoofdschuddend afvragen waarom. Waarom wéér op de knieën over die lijdensweg kruipen? Waarom wéér elke dag trainen? Waarom wéér dat eindeloze gestuitert met dat gele onding? Waarom wéér van onder af aan de ladder beklimmen? Waarom niet lekker als een pensionado met Faat, een glas wijn en dat buikje op de bank?

Houtje-touwtje

Honderden keren heeft Sluitert het uit proberen te leggen. Niemand die het snapte. ‘Hoeft ook niet’, zei hij met de tranen in zijn ogen, ‘ik doet ut toch.’ En dus begon hij vrolijk weer te tennissen in houtje-touwtje-toernooien – ver van de glorie, de centen en de schijnwerpers.

Heel af en toe bereikte ons een bericht vanuit een grauwe provinciehoofdstad in een Oostblokland, dat hij ergens een rondje had gewonnen. Vaak werd hij er ook uitgeknikkerd. En dan konden wij weer allemaal ons hoofd schudden. Waarom toch, Sluitert, waarom toch?

Lelijk

Deze week speelde Sluitert in Rosmalen. Het was de eerste keer dat hij weer in de schijnwerpers stond sinds zijn comeback. Hij leek op de Sluitert van vroeger. Die dubbelhandige forehand was nog steeds lelijk. Hij huilde nog steeds om de haverklap.

En Faat zat net als vroeger opvallend onopvallend te wezen op de eerste rij. Hoofdschuddend heb ik toegekeken hoe hij zich door zijn eerste ronde heen worstelde. Tot mijn verbazing – en die van hemzelf – won hij.

Stiekem

In de tweede ronde won hij weer. En daarna weer. En weer. Met een hoop mazzel, maar toch. En naarmate de week vorderde, betrapte ik mezelf erop dat het schudden van mijn hoofd verdween. Ik begon hem aan te moedigen.

Eerst zachtjes, bijna stiekem. Daarna steeds harder. Tegen het einde van de week stond ik op de bank te springen bij ieder punt dat hij maakte. En ineens herinnerde ik me dat ik dat in zijn eerste tennisleven ook al deed.

Hoe lelijk zijn forehand ook is, hoe doodgewaun Rotterdams hij ook doet, hoe vaak Faat ook in beeld is: ik ben altijd al voor Sluitert geweest.

Federert

Net als iedereen. Misschien wel omdat Sluitert zoveel op ons allemaal lijkt: de doorsnee tennisser die op een doordeweekse avond ballen onder in het net slaat op een hobbelig baantje achter het zwembad. Zonder talent, zonder succes. Hij is geen Roger Federert, die de bal over de baan penseelt.

Hij is geen Andy Murray, die de ene na de andere ace langs zijn tegenstander kogelt. Hij is zomaar een tennisser die op zijn tandvlees door een toernooi heen ploetert. Met het hart op de tong en een emmer tranen achter zijn ogen die om de haverklap omkiepert. Mooi toch. Laat hem maar ploeteren. Laat hem maar huilen. Laat hem maar Sluitert zijn.

Huilen

In de finale ging hij kansloos ten onder tegen ene Bennie Beckert. Dat kon ook niet anders. De drie finales die hij in zijn eerste tennisleven speelde, verloor hij ook allemaal. Na afloop was hij zo teleurgesteld dat hij vergat te huilen. Ik heb het gewaun voor hem gedaan.