Begin maart 1986 verhuisde ik van Groningen naar Baltimore, in de Verenigde Staten. Het eerste contact met een Amerikaanse sportfanaat liet niet lang op zich wachten. Hij heette Steve Zarwin en was destijds de vriend van mijn schoonzusje Julie. We ontmoetten elkaar tijdens een feestje van mijn schoonouders.

Steve was net met zijn studie gestopt, maar hij zat niet bij de pakken neer. Zijn vader was de car-wash koning van Philadelphia. Hij verdiende nu naar eigen zeggen serious cash in een van diens autowasserijen. Daarvan had hij om te beginnen twee televisietoestellen gekocht. Hij had ze midden in de woonkamer van zijn appartement gezet, pal tegenover het bankstel. Boodschap: als hij niet werkte keek hij naar sport. Steve was verslaafd aan football. Hij consumeerde liefst twee wedstrijden tegelijk, die op verschillende televisienetten werden uitgezonden. Zo omzeilde hij de dode spelmomenten.

Makkelijke keuze
Steve was zijn tijd vooruit. Football is al enkele jaren de populairste sport van het land. Voor mij als honkballiefhebber is dat een probleem. September en oktober, de maanden die ik de afgelopen jaren in Amerika heb doorgebracht, zijn ook de maanden dat de twee volkssporten honkbal en football met elkaar concurreren om de aandacht van sportfans en televisiekijkers. Voor mijn schoonfamilie is de keuze niet moeilijk. Iedereen is aangestoken door de football bug. Als ik naar honkbal wil kijken, zonder ik me dus noodgedwongen af in een ander vertrek.

Vooral college football is populair. Mijn schoonvader is een grote fan van Notre Dame, de Fighting Irish. Een legendarische universiteitsclub uit Indiana, met goudkleurige sportshirts. Notre Dame is voor universiteitsfootball wat de Yankees zijn voor honkbal: een roemruchte club, zowel gehaat als geliefd. Mijn zwager steunt Penn State, in Pennsylvania, waar hij in de jaren tachtig studeerde. Penn State heeft in de persoon van Joe Paterno een van de beroemdste sporttrainers van het land, met meer dan veertig dienstjaren.

Stil
Waarom toon je wel interesse voor de ene sport en niet voor de andere? In mijn geval: waarom (wel honkbal en) geen football? Het begint en eindigt bij de constatering dat ik mijn aandacht er niet bij kan houden. Maar waarom dan niet? Ten eerste omdat het spel te vaak stil ligt. Ten tweede omdat de spelers niet of nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, vanwege hun helmen. En ten derde omdat er, in het geval van college football, geen algemeen geaccepteerde ranglijsten zijn, waarmee in een oogopslag duidelijk wordt hoe goed of slecht de clubs presteren. Daardoor mist iedere wedstrijd in het college football een zekere spanning: een overwinning van het ene team op het andere resulteert niet automatisch in een hogere stand in de competitie.

Liefhebbers van football zijn het daar natuurlijk niet mee eens. Ze zullen zeggen dat honkbal minstens zo veel dode spelmomenten kent en dat honkbalspelers ook een hoofddeksel op hebben. Maar het onduidelijke competitie element valt als argument minder eenvoudig te weerleggen. Sterker: college football worstelt er zelf ook mee.

De college teams zijn traditioneel naar regio verdeeld. De beste daarvan nemen het aan het einde van het seizoen tegen elkaar op. Het probleem daarbij is dat de ranking geschiedt volgens een computermodel dat zo complex is dat vrijwel niemand het kan doorgronden. De geluiden om de collegeteams in een nationale competitie onder te brengen worden daarom steeds luider.Toch wel...
Heeft football dan niets aantrekkelijks? Toch wel. Maar met pure sport heeft dat weinig te maken. Op nieuwjaarsdag worden traditioneel veel college football wedstrijden gespeeld. Vroeger markeerden die het einde van het seizoen, maar door de invloed van de televisie wordt dat steeds verder uitgerekt. Toch is de speciale sfeer van de wedstrijden gebleven, te vergelijken met het skischansspringen dat op nieuwjaarsdag in Nederland wordt getoond. Een ideale kuur om de kater mee te verdrijven.

©NUsport/Menno de Galan