Vóór deze zomer was waterpolo in Nederland nog een sport in de kinderschoenen. Bij het grote publiek althans. Categorie ganzenborden, buskruit met rotjeplof of kontjeknal.

Waterpolo? Was dat niet iets met watertrappelen en van die guitige badmutsjes? Gezellig overgooien met zo'n leuke oranje bal. Na afloop met z'n allen een chocomel of een AA'tje in de kantine. En als er iemand jarig was misschien wel dropveters of een klein zakje chips.

Dat waterpolo olympisch was - dat wisten alleen de Eurosport 2-junkies die ook hele dagen naar curling, kegelen of de Luxemburgse handbalcompetitie keken. Toen de waterpolosters van de nationale ploeg deze zomer naar Peking vertrokken, waren ze anoniemer dan anoniem.

Toeristen
Het Nederlandse team op Schiphol had net zo goed een stel toeristen richting Salou of Ibiza kunnen zijn geweest. Gezellig op vakantie met de meiden. Ook in Peking was er aanvankelijk nauwelijks aandacht. Totdat er een medaille begon te lonken. Plotsklaps stonden er overal camera's en journalisten.

Zelfs Zijne Eminentie Jack van Gelder had het behaagd om uit zijn ivoren voetbaltoren af te dalen voor een paar interviewtjes met de nobele onbekenden uit waterpololand. Tijdens de laatste dagen van de Spelen waren de waterpolodames niet van de beeldbuis te slaan.

Oorlog
Onderwaterbeelden overspoelden de Nederlandse huiskamers. Verbazing alom. Waterpolo bleek helemaal geen kindersport te zijn. Onder water heerste er een oorlog. Er werd gestompt, geknepen, geslagen en gekrabt. Ballenknijpen en zwempak-in-bilnaad-trekken: schering en inslag. Een scheidsrechter die een kwart van alle overtredingen zag, werd gezien als toparbiter. Dat er af en toe een frêle aanvalster verzoop in het geweld van bonkige verdedigers: ach, dat hoorde er nu eenmaal bij.

Het Nederlandse team speelde de ene thriller na de andere. Landen waarin waterpolo al lang en breed de ganzenbordstatus heeft afgeschud verdronken in de roes waarin de oranjedames verkeerden. Het sprookje werd met de minuut ongeloofwaardiger. Maar soms is de waarheid ongeloofwaardig mooi.

Badmutsje
In de finale zat half Nederland met de bibbers in de buik voor de tv. Daniëlle de Bruijn gooide oranje naar het goud en werd een nationale heldin. Niet dat iemand haar nu herkent als ze door de Kalverstraat loopt, maar dat ligt aan dat badmutsje. Wie een bekend gezicht wil krijgen, moet nu eenmaal geen plastic zak over zijn hoofd trekken.

In Peking stond eigenlijk al vast dat de waterpolovrouwen de prijs van Sportploeg van het Jaar zouden winnen. Ondanks de concurrentie van hockeysters, zwemsters en roeisters. En zo geschiedde. Vorige week stonden de dames in galakleding - onherkenbaar zonder badmuts - op het podium van de RAI. Niemand vond het raar. Het zei genoeg over de ontwikkeling van de sport.

Dit weekend werd in Amsterdam de nationale bekerfinale bij de mannen gespeeld. De waterpoloërs van PSV tegen die van DONK, waar succescoach Robin van Galen tegenwoordig de baas is. Het werd een bloedbad. Het regende onderwateraanslagen en Schwalbes, de scheids liet de boel gierend uit de klauwen lopen. Na het laatste fluitsignaal belaagden de spelers van PSV de arbiter.

Gescholden
Er werd gescholden, gedreigd, tegen reclameborden getrapt en er zeilde een stoeltje in het water. Eén van de PSV'ers liet zelfs zijn zwembroek zakken om de scheids duidelijk te maken dat hij gefloten had als een stel witte billen. Niks gezelligheid en balletje overgooien. Niks chocomel en dropveters.

Voor wie er nog aan twijfelde: het is definitief. Waterpolo is volwassen geworden.