BAGDAD - Voor Iraakse voetballers betekende verlies gevangenschap, marteling en soms verhongering. Dat zegt Samir Kazim, een aanvaller die van 1988 tot 1999 tot de Iraakse selectie behoorde. “We speelden onder grote psychische druk, omdat een nederlaag automatisch straf betekende.”

De Iraakse voetbalbond en het nationale olympisch comité werden vanaf 1984 geleid door Uday, de oudste zoon van Saddam Hussein. Hij voerde een waar schrikbewind, waarin atleten niet zeker waren van hun leven. Voormalige atleten beweren dat er onder Uday zeker 52 atleten zijn vermoord. Het bewijs is vermoedelijk in rook opgegaan door de zware Amerikaanse luchtaanvallen op het hoofdkwartier van het Iraaks olympisch comité.

Zweepslag

Voetballers werden na elke wedstrijd door de assistent-coach op hun fouten gewezen. “Elke fout betekende automatisch een zweepslag”, aldus Kazim (38). “Later twee per fout.” De jeugdselectie werd ooit door Uday een week zonder eten of drinken gevangen gezet op een boerderij buiten Bagdad. “Na vier dagen werden alle spelers ziek omdat ze gedwongen werden water te drinken waarin dieren hadden staan schijten of pissen. Pas nadat artsen wezen op het gevaar van een epidemie, konden de kinderen naar huis.”

Uday strafte niet alleen spelers voor verlies. “Zestien spelers kregen 32 stokslagen op hun voetzolen, omdat we elektrische apparatuur hadden gekocht in de Koerdische stad Duhouk waar we een wedstrijd hadden gespeeld”, aldus Kazim. “Een voor een werden we in een kamer op de eerste etage binnengeroepen. De anderen zaten beneden te wachten en hoorden ze gillen. Ik was het laatste aan de beurt. Ze sloegen me met een zware stok. De eerste 22 slagen gaf ik geen kik. De laatste tien brandden zo dat ik begon te schreeuwen. Daarna kon ik een week niet lopen.”

Vrees

Zolang er onzekerheid blijft over het lot van Saddam en zijn twee zonen zal Kazim in vrees leven. “Een week geleden werd ik door de Amerikaanse televisie geïnterviewd. Ik heb gevraagd het interview niet uit te zenden uit vrees dat Uday het in zijn schuilplaats zal zien.”