Koen de Kort neemt voor de Nederlandse wielerploeg Argos-Shimano deel aan de Tour de France en houdt zijn belevenissen bij in een dagelijkse column op NUsport.

Door Koen de Kort

Dagen waarop in de Tour de France een individuele tijdrit op het programma staat, zijn voor mij altijd vrij relaxte dagen. Al had ik gisteren toch heel wat moeite om vroeg uit mijn bed te komen; door de euforie na onze tweede etappezege van dinsdag had ik een onrustige nacht gehad.

Door mijn matige rijden in de Pyreneeën moest ik vroeg aan de bak, bij een tijdrit zijn immers de laagst geklasseerden het eerst aan de beurt. Dit werd dan wel weer gecompenseerd door het feit dat ik al weer terug was in het hotel voordat de tv-uitzending begon.

Het leek wel een rustdag. Voor de favorieten en tijdritspecialisten daarentegen was gisteren een extreme lange dag. Eerst moesten ze het parcours gaan verkennen, gevolgd door de mentale en fysieke voorbereiding; hun warming-up is altijd zeer intensief. Hoe dan ook, elke renner die zegt dat hij het in de tijdrit rustig aan heeft gedaan, liegt.

Je weet nou eenmaal niet wat de winnende tijd zal zijn, dus je moet toch gewoon flink doorrijden aangezien je niet meer dan 25 procent tijdverlies mag oplopen. Dus moet iedere renner in een straf tempo rijden en valt er onderweg voor niemand iets te genieten.

Windtunnel

Tot een paar jaar terug wist ik in tijdritten best aardige resultaten neer te zetten. Maar dat vergde zoveel specifieke voorbereiding en training dat ik heb besloten me te richten op eendagswedstrijden en het voorbereidende werk voor de massaprints.

Omdat tijdritten voor mij niet meer belangrijk zijn, heb ik mijn positie op de fiets veranderd; ik zit nu comfortabeler maar ook wel minder aerodynamisch. Een aerodynamische houding is namelijk verschrikkelijk, je belast je spieren zodanig dat je in de eerste uren na de tijdrit niet eens normaal kunt lopen.

Dat was bij mij dus zeker niet het geval. Vandaag ben ik dan ook helemaal fris om mijn werk voor Marcel Kittel te doen. Dat geldt niet voor mijn ploeggenoot Tom Dumoulin, die als 22-jarige renner heel knap negende werd. Met dank aan de vele uren die hij in de windtunnel heeft doorgebracht om zijn houding te verbeteren. Van Tom gaan we in de toekomst nog veel meer horen, daar ben ik van overtuigd.