Als laatste mocht hij naar de finale, als allerlaatste kwam hij over de streep en als aller-allerlaatste kwam Oscar Pistorius door de mixed zone heen. Niet dat 'Blade Runner' het journaille wilde mijden. Nee, iedere sportjournalist in een straal van vijf kilometer van het olympisch stadion kreeg hem vrijdag te spreken.

Door Anne Joldersma

Ook ik stond tegen een hek te dringen om een glimp van de man op twee protheses op te vangen. Het zijn mijn eerste Spelen en van tevoren had ik een dikke streep onder drie evenementen gezet. De finale van de 100 meter, de finale van de 200 meter en de finale van de 4x400 meter estafette.

De eerste finale werd me door de neus geboord door Dorian van Rijsselberghe die het nodig vond om al voor de medal race beslag te leggen op het goud. Eerder afreizen naar Weymouth was het noodzakelijke gevolg.

De tweede finale liep ik mis door Reinder Nummerdor en Richard Schuil (komende week in een uitgebreid interview in het magazine) die dezelfde avond in actie moesten komen.

Halszaak

Maar de estafettefinale ging niemand me afpakken. Enkele maanden geleden had ik het geluk aanwezig te zijn bij een kleinschalige persconferentie van Pistorius. Nou heb ik een mooie baan, maar me gelukkig voelen met de mogelijkheid iemand te interviewen is me nog niet eerder overkomen.

Al bij de binnenkomst van Pistorius wist ik dat het deze keer anders zou zijn. Voordat de 25-jarige Zuid-Afrikaanse wereldster plaatsnam, maakte hij er namelijk een halszaak van om alle aanwezige journalisten een hand te geven en te danken voor zijn of haar aanwezigheid, in plaats van andersom. Dat ‘Blade Runner’ net een vlucht van negen uur achter de kiezen had, maakte hem kennelijk niet uit.

Ook na de olympische finale toonde Pistorius zijn nederige zelf. Dat hij als slotrenner van Zuid-Afrika op grote achterstand de streep passeerde, deerde hem niet. Dat hij vervolgens voor elke aanwezige tv-camera (zo’n 2.750 stuks schat ik) dezelfde grote glimlach moest opzetten evenmin. Dat het uren duurde voordat hij eindelijk zijn kleedkamer kon opzoeken, maakte hem ogenschijnlijk niet uit.

Alleen de aanwezige stewards werden nerveus. Die hadden inmiddels al balende Belgen (zesde), rare Russen (vijfde), bibberende Britten (vierde), trillende Trinidadianen (derde), arrogante Amerikanen (tweede, hun nederlaag in de laatste meters leek ze niet te deren en het zilver had geen waarde) en blije Bahamanen (eerste) voorbij zien komen. Maar waar bleven toch die Afrikanen? Ze waren toch wel over de finish gekomen?

Droom

Het maakte mij en een collega van Sports Illustrated helemaal niets uit toen er inmiddels meer dan een uur verstreken was voordat de man op blades eindelijk verscheen voor zijn laatste etappe van de dag, met de geschreven pers. Alleen het groepje Franse journalisten waar we automatisch tegenaan geperst werden, wekte enige irritatie op.

Het was geweldig om Pistorius eindelijk van dichtbij op zijn blades te zien, bij de persconferentie eerder dit jaar stond hij immers op zijn normale protheses. Toen hij ook nog eens vertelde dat de laatste plaats hem helemaal niet deerde en dat het überhaupt mogen starten in een olympische finale voor hem een droom was die uitkwam, schoot ik zelfs een beetje vol.

Toen hij tenslotte zijn eigen lange weg voor acceptatie bagatelliseerde en enkel en alleen lof had voor David Rudisha, de Amerikaanse estafettedames en alle andere atleten die na jarenlange arbeid op de Spelen persoonlijke records noteerden, was ik overtuigd.

Onzelfzuchtig

Misschien komt het omdat ik een geboren pessimist ben. Of misschien is het dat ik eerder op de Churandy Martina-lijn (morgen is er weer een nieuwe dag, alles komt goed) zit. Maar één ding is zeker: de volharding van Oscar Pistorius in combinatie met zijn onzelfzuchtige gedrag ontbeer ik in zijn geheel.

Daarom is ‘Blade Runner’ de atleet voor wie ik maandag het diepst buig wanneer ik Londen achter me laat. Gelukkig blijft hij nog een tijdje. De Paralympische Spelen staan immers voor de deur.