Ze breken. De honkbalinternationals van toen en nu. Ze houden een hand aan hun kin, ze staren de ruimte in, kijken voor zich uit. Ze grienen, leunen tegen elkaar of zoeken steun tegen een muur. Ze fluisteren en omhelzen elkaar.

Ze staan met z’n allen in een sporthal, zo eentje met witte muren en een zeegroene rubberen vloer met gekleurde lijnen erop getrokken. Op hun hoofd een rode cap, zoals de familie gevraagd had. Kom naar de sporthal om samen met ons afscheid te nemen van Gregory, en draag een rode honkbalpet.

Achter in de hal staan twee slagkooien; tunnels opgetrokken uit netten waarin honkballers uren en uren onderwezen worden in het nog beter slaan van een bal. Onderricht in het nog beter timen van hun swing, het plaatsen van de voeten, het roteren van de heup, de positie van de handen, polsen en schouders.

Kijken, blijven kijken naar de bal en breng de handen in de bal. Twàk, twàk, duizenden keren dat geluid van de bal op een knuppel van hout, twàk. Gregory Halman was één van de beste slagmensen van Nederland.

In de sporthal vormen zondag honderden bezoekers een kring. Tegen de voorste slagkooi aan ligt de afgelopen maandag in Rotterdam omgebrachte honkballer opgebaard, een kind van Haarlem, protégé van Kinheim, trotse prof bij de Seattle Mariners.

#56 Gregory Halman

Uit een muziekinstallatie klinkt muziek. Gangsta rap, maar ook lieve liedjes met Nederlandse teksten, Michael Jacksons Ben en ook Coolio’s Gangsta Paradise en McHammers Can’t touch this. Op het hoofd van de honkballer een zonnebril, aan zijn voeten de spikes.

Rondom de baar met daarop de speler liggen zijn knuppels, zijn handschoen en veel ballen en rozen. Daar ligt hij, een van Nederlands grootste sporttalenten, de tatoeages op zijn gespierde onderarmen mooi zichtbaar.

De dood verscheurt op zondag in de sporthal, de dood verbroedert ook, de dood is hier te aanwezig. Met rationaliteit kun je soms geen ene flikker. Vandaag is zo’n dag. Dinsdag wordt hij begraven.

Kracht

Achter het lichaam van de honkballer die stierf aan een wond aan zijn halsslagader, heeft de familie een paar grote foto’s neergezet. Zwart-wit. Gregory met zijn broertje Jason. Jason, die nu vast zit. Jason, ook oud-honkbalinternational. Jason, die flink in de war is en in de gevangenis zit opgesloten. Jason, die niet door zijn familie is vergeten, verre van zelfs. Het getuigt van kracht.

Jason en Gregory, aan elkaar verbonden voor het leven, uit elkaar gerukt door de dood. Brothers for life staat er bovenaan op de rouwkaart.

Links naast de honkballer een foto. Twee jochies. Gregory, die een jaar of vijf moet zijn, met naast hem zijn twee jaar jongere broer Jason. Het kleine broertje heeft zijn rechterarm om de schouder van zijn grotere broer geslagen.

Hij kan net ver genoeg reiken. Ze kijken vol zelfvertrouwen de camera in, je ziet dat ze even daarvoor plezier hebben gemaakt. Jason kijkt trots. Dit is mijn broer.

Eerbetoon

De een zit gevangen, de ander is dood. Een oud-international in de zaal treurt om de verdwenen toekomst, alles stond op het punt van beginnen, een grootse loopbaan is teniet. Iemand anders vertelt over het nieuws dat in Haarlem die junidagen de ronde deed. Halman was terug in de Major League en had daar meteen een homerun geslagen. Het gaf ze in Haarlem een goed gevoel.

Als ik na een uur naar buiten loop, denk ik: wat zou het een mooi eerbetoon zijn als de Mariners voor aanvang van hun eerste thuiswedstrijd van het nieuwe seizoen - op vrijdag 13 april 2012 - Halmans rugnummer met een officiële ceremonie definitief uit de line-up halen en het shirt in het stadion ophangen.

Rugnummer 56 behoort wat mij betreft voor altijd toe aan Gregory Halman.

In het nieuwste nummer van het magazine van NUsport (vanaf dinsdag in de winkel) staat een uitgebreid verhaal over Gregory Halman.