En toen, na een WK dat eindeloos lang maar uren te kort duurde, kreeg Peter Sagan het woord. Hij had het kunnen hebben over zijn verpletterende zege, over zijn vernietigende demarrage, over de revanche na honderd miljoen tweede plaatsen.

Door Thijs Zonneveld

Maar hij begon over de vluchtelingencrisis.

Als je me zou vragen wat hij precies zei, dan zou ik je het antwoord schuldig moeten blijven. Eén ding weet ik wel: het was prachtig. Heel even heb ik overwogen om het interview terug te kijken, maar ik heb het niet gedaan. Ik hoef niet precies te weten wat hij zei.

Het ging er niet om wát hij zei, het ging erom dát hij het zei. In Richmond stond een jonge sporter voor een microfoon die net de grootste overwinning van zijn carrière had behaald na een jaar waarin alles nét niet lukte, waarin hij onder druk werd gezet door zijn megalomane teameigenaar, waarin hij aan zichzelf twijfelde en waarin hij werd overreden door een motor. Hij had alle recht om in een sorbet van narcisme en euforie springen, maar dat deed hij niet. Hij richtte de aandacht op iets anders. De vluchtelingen, mensen, de vluchtelingen.

Peter Sagan sprak zijn eigen regering toe, die alleen maar oorlogsvluchtelingen accepteert als ze toevallig christelijk zijn; hij sprak het fort Europa toe, dat alleen maar bezig is met opvanggetallen en spreidingsstatistieken in plaats van met mensen; hij sprak ons allemaal toe.

Bommen

In zijn hoofd waren zijn zinnen ongetwijfeld beter verwoord en meer gepolijst, maar dat maakte niet uit. Hij zei het zoals het is: verwarrend, overweldigend, nauwelijks in woorden te vertalen. Je kunt niet in zinnen vatten dat er kinderen levenloos aanspoelen op het strand, dat er een paar duizend kilometer verderop steden in de fik staan en dat wij klagen over het weer terwijl het elders bommen regent.

Wat had hij moeten zeggen dat we niet zelf al weten? Er is al zoveel over gezegd, zoveel over geschreven. We weten allang dat we grofweg uiteenvallen in drie soorten mensen: degenen die besluiten zelf iets te doen om vluchtelingen te helpen, degenen die hun kop in het zand steken, en degenen die onder columns als deze eigen-volk-eerst-reacties plaatsen.

Misschien moet ik dit wel helemaal niet schrijven, op deze plaats. Misschien moet sport altijd alleen maar over sport gaan. Misschien lag het wel aan het WK, dat me altijd een beetje weemoedig maakt, al was het maar omdat er weer een seizoen voorbij is. Misschien lag het wel aan Peter Sagan zelf, van wie ik nog steeds niet weet of hij nu wielrenner, acteur, poseur, billenknijper, clown of de nieuwe Dalai Lama is. Maar wat hij zei was voor mij een van de hoogtepunten van het sportjaar.

Voorbeeld

Om te begrijpen wat hij bedoelde hoef je niet vloeiend Saganiaans te spreken. Je hoefde slechts naar hem te kijken tijdens het WK. Als er één renner was die na een jaar vol tegenslag angstig en verkrampt had kunnen fietsen, dan was het Sagan. Maar dat deed hij niet. Hij verzoop niet in zelfmedelijden of frustratie. Hij was niet bang voor wat er kwam, hij mekkerde niet over gebrek aan steun of dat anderen het maar moesten oplossen.

In plaats daarvan zette hij zijn angsten en twijfels aan de kant en maakte er het beste van.

Een beter voorbeeld had hij ons allemaal niet kunnen geven.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NU.nl.*