Er waren geen infantiele mascottes met nog infantielere namen.
Er waren geen treincombi's.

Er was geen met prikkeldraad en hekken omheind uitvak waar de supporters van de tegenpartij in waren gedumpt.
Er was geen dweilorkest dat voor de zevenentachtigste keer Dat Kleine Café Aan de Haven speelde.
Niemand zong dat ze erbij waren, en dat het prima was.
Er waren geen buitenspelers met lovehandles of een pafferig buikje.
En ook niet met roze schoenen omdat dat moest van de sponsor.
Geen speler kauwde ongeïnteresseerd op een homp kauwgom toen de volksliederen werden gezongen.

Er stroomde geen fluitconcert van de tribune toen de wedstrijd begon.
Er werden geen bananen op het veld gegooid.
Niemand probeerde de knie van zijn tegenstander te perforeren met zijn noppen omdat hij niks anders te doen had.
Niemand probeerde de tegenstander een kaart aan te naaien.
Geen speler viel zomaar om terwijl hij niet geraakt werd.

Niemand deed zesenhalve minuut over een ingooi om nog een beetje meer tijd te rekken.
Geen speler was vlak voor de wedstrijd naar de kapper geweest om de puntjes van zijn coupe nog even bij te werken.
Geen enkele ploeg had gekozen voor fluorescerende-pijn-aan-je-ogen-A2-wegwerkers-shirts.
Niemand droeg een Daryl Janmaat-haarbandje - het enige haarbandje ter wereld dat je ook draagt als je helemaal geen haarbandje nodig hebt.
Sepp Blatter was in geen velden of wegen te bekennen.

Er was geen speler die zijn hand voor zijn mond deed om tegen zijn directe tegenstander te kunnen fluisteren dat zijn moeder het oudste beroep van de wereld beoefent.
Er liep niemand rond met een ego zo groot dat je het kon zien vanaf de maan.
Niemand mekkerde tegen de scheids. (Maar dan ook niemand.)
Als de scheids een spelsituatie niet goed kon beoordelen, dan keek hij het even terug op een tv-schermpje, want het is 2015  - en niet 1935.

Geen speler trapte een kratje bidons om toen hij werd gewisseld.
Niemand ging na de wedstrijd verhaal halen in de kleedkamer van de tegenstander - in plaats daarvan gaf de winnende ploeg de verliezende een staande ovatie.
En na afloop was er geen trainer of speler die een betoog van een halfuur hield waarin het woord balbezit vierhonderdzevenenzestig keer viel.

Het verschil met voetbal is zo groot dat je het niet eens meer kunt verklaren. Maar elke keer dat ik naar een rugbywedstrijd kijk, dan denk ik hetzelfde:

Het kan dus wél.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NU.nl.*