Column

Waaiers

Ik hoopte. Ik smeekte. Ik bad op mijn blote knietjes. Ik brandde kaarsjes. En ik riep alle goden aan die ik kon verzinnen. Het enige wat ik wilde was een straffe noordwestenwind op de eerste zondag van juli.

Door Thijs Zonneveld

Want met noordwestenwind zou ik het allermooiste cadeau krijgen wat ik kon verzinnen: waaiers in de Tour. Waaiers, waaiers, waaiers: ik kon aan de laatste weken aan niets anders meer denken. Ik droomde ervan. Ik stond er mee op. Ik ging er mee slapen.

Ik poetste mijn tanden ermee. Ik formeerde waaiers met de doperwten op mijn bord. Ik schreeuwde: 'Halve baan! Zet ze op het kantje!' tegen mijn vriendin toen we op zondagmiddag op z'n elfendertigst door het park fietsten.

Wekenlang checkte ik iedere weersite die ik kon vinden. Ik trok pijlen op landkaarten om te zien waar de wind in de flank zou waaien op de Zeelandse bruggen. Ik verkende het parcours zo vaak dat ik het blind kon rijden. En ik sprak tegen de wind en de wolken.

Sinterklaas

Ik weet niet precies waar het vandaan komt, die obsessie. Misschien is het omdat ik uit een plat land kom, waar de wind de enige tegenstander is. Misschien is het omdat ik vroeger ploegleiders had die bij ieder zuchtje zijwind schreeuwden dat we de boel op de kant moesten gooien.

Misschien omdat ik kick op spartelende mannetjes die wanhopig proberen het wiel voor zich te volgen. En misschien is het wel omdat waaiers in de Tour voelen als Sinterklaas in juli – je verwacht een sprintersetappe waar je je doorheen moet gapen, en ineens ligt het hele peloton aan gruzels dankzij een toefje zijwind.

Waaiers zijn een bonus waar je niet op rekent. Het is alsof je een pizzaatje belt en je hertenbiefstuk met truffelsaus geserveerd krijgt. Alsof je de linksback van Koekwause Boys bent en Real Madrid je belt of je voor een paar miljoen bij ze wilt komen spelen. Alsof je naar een concert van Dries Roelvink gaat en Lenny Kravitz staat in het voorprogramma.

Parachutes

Sinds Die Ene Waaierrit in de Tour van twee jaar geleden is mijn obsessie alleen maar verergerd. Ik kan niet meer naar wielrennen kijken zonder te hopen op waaiers. Ik betrapte mezelf er afgelopen zaterdag zelfs op dat ik tijdens de tijdrit in Utrecht keek of er niet ergens een waaiertje gevormd kon worden.

Het zag er lang naar uit dat er niet genoeg wind zou staan, op die eerste zondag in juli. Een briesje uit het zuidwesten, meer niet – het zou een standaardmassasprint worden. Maar toen ik gisteren naar Zeeland reed zag ik het al vanuit de verte: donkere wolken. En hoe dichter ik bij Neeltje Jans kwam, hoe zwarter ze werden. Het begon te waaien. Eerst een beetje, toen steeds meer. Door de lucht vlogen bladeren, takken en kinderen – met poncho's als parachutes.

Twee uur lang waaide het in Zeeland: precies de twee uur dat de Tour er passeerde. Het peloton werd als een natte krant uit elkaar gereten. Overal reden plukjes renners, ik zat huilend van geluk voor de tv.

Vijf minuten nadat de renners waren gefinisht hield het op met waaien. De hemel trok open. Ik keek naar boven en stamelde een bedankje.

Wie er daar boven ook op een wolk zit: hij of zij is net zo verliefd op waaiers als ik.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NU.nl.*

Alle columns van Thijs Zonneveld

Alle columns van Thijs Zonneveld
Bekijk hier de overzichtspagina met de eerdere columns van deze auteur. 

Alle columns van Edwin Struis

Alle columns van Edwin Struis
Bekijk hier de overzichtspagina met de eerdere columns van deze auteur. 

Alle columns van Remco Regterschot

Alle columns van Remco Regterschot
Bekijk hier de overzichtspagina met de eerdere columns van deze auteur.

Alle columns van Menno Pot

Alle columns van Menno Pot
Bekijk hier de overzichtspagina met de eerdere columns van deze auteur.

Alle columns van Mark Tuitert

Alle columns van Mark Tuitert
Bekijk hier de overzichtspagina met de eerdere columns van deze auteur.  
Tip de redactie