Of ik wist waar de start was. De jongen die het me vroeg had een wielershirt van HTC-Columbia aan. Zijn broek was van dezelfde ploeg. En hij had een bijpassende helm, bril en fiets gekocht. Hij leek net een echte renner, maar zijn benen verraadden hem.

Door Thijs Zonneveld

Twee braadworsten waren het. Korte dijbeentjes en pafferige, vormloze kuiten. Van die dertien-in-een-dozijn-benen. Van die benen waarmee je buurman in de zomer drie keer een rondje door de polder trapt op zijn roestige racefiets met een zadeltasje zo groot als een strandbal.

Van die benen die de manke keeper van je zaalvoetbalelftal heeft. Van die benen die onder de rok van je tante Truus uit steken. Van die benen die je zelf ook hebt.

Ik wees hem de weg naar de start. "Danke", zei hij. Daarna fietste hij weg, met zijn braadworstbeentjes. Een paar minuten later zag ik hem weer, op het plein waar de Omloop Het Volk van 2008 startte. Tot mijn verbazing stond hij tussen de echte renners opgesteld bij de startstreep.

Hij had zijn jackje uitgedaan: toen ik goed keek, zag ik dat hij ook een nummer op zijn rug had. Ik pakte de startlijst erbij. Verrek, dacht ik. Het ís een echte renner. Zijn naam: John Degenkolb.

John Beton

Normaal gesproken pik je de echte wielrenners er zo uit. Ze zijn zo mager dat je het hoort tochten tussen hun ribben, en hun benen zijn dunner dan plakjes magere kipfilet van de Aldi. Er lopen aders overheen als regenwormen, en je kunt elke pees zien liggen zoals in het Anatomisch Handboek.

Maar bij John Degenkolb dus niet. Ik zal niet durven zeggen dat het vet is dat er op zijn benen ligt; het is eerder dat er geen vorm in zit. Zijn benen zijn een soort vierkante stoeptegels. Misschien dat ze hem daarom John Beton noemen.

Hij ziet er sowieso niet uit als een wielrenner, die Degenkolb. Eerder als de Vijfde Musketier. Of als een Duitse diskjockey - dj Dege - die in de winter op Mallorca techno-schlagers door de plaatselijke disco dreunt terwijl hij halveliters Warsteiner wegtikt alsof het Schnaps-shotjes zijn. Hij is de Jhonny van Beukering van het wielrennen. Als je hem ziet, denk je: als die zoiets kan, dan kan ik het ook. 

Toen Jhonny van Beukering in het eerste van Feyenoord speelde, kreeg zelfs de reservelinksback van Koekwause Boys weer hoop: misschien zou zijn droom om profvoetballer te worden tóch nog uitkomen. Maar er is één essentieel verschil tussen Jhonny en John: Jhonny kon er geen hout van, en John is retegoed.

Schuif John Degenkolb een fiets onder zijn kont, en je weet zeker dat hij een paar uur later ergens met een bos bloemen staat te zwaaien. Hij won de afgelopen jaren overal en nergens. Gent-Wevelgem, Parijs-Tours, een handvol Duitse klassiekers, Milaan-San Remo en zeshonderddrieënzeventig etappes in de Ronde van Spanje.

Sprintles

En zondag degradeerde hij een peloton profs (zonder uitzondering mét echte wielerbenen) tot een stel figuranten. Hij greep alle vluchters in hun kladden en gaf ze sprintles op de wielerbaan in Roubaix. Dat lijkt onmogelijk met braadworstbeentjes, maar hij deed het toch. Hij reed zonder angst, zonder schaamte, zonder druk en zonder een spoor van twijfel.

Na afloop stond hij in zijn korte broek op het podium. We konden ze allemaal zien, die braadworstenbeentjes van hem. Het was stiekem heel erg mooi. Tante Truus, de buurman, de manke keeper van je zaalvoetbalelftal, Jhonny van Beukering en wij allemaal, we dachten hetzelfde:

Er is nog hoop.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NU.nl.*