Of ze even een eind op wilden rotten. Mark Cavendish vroeg het niet, hij schreeuwde het. Hoe kwamen ze erbij, die prutsers van Skil-Shimano? Op kop van het peloton rijden met nog tien kilometer te gaan? Who the fuck dachten ze dat ze waren?

Door Thijs Zonneveld

Zes jaar geleden reed er een klein Nederlands ploegje in de Tour de France mee. Zonder grote namen, zonder veelverdieners, zonder klimmers en zonder klassementsrenners. Hun shirts zagen eruit alsof ze net waren ontsnapt uit de jaren tachtig. Ze werden uitgelachen, uitgescholden en uit de weg geduwd.

In de bergetappes kochten ze allemaal een strippenkaart voor de bus - op Kenny van Hummel na, die er in zijn uppie achteraan harkte - en in de vlakke ritten probeerden ze ereplaatsen te sprokkelen. Winnen was veel te hoog gegrepen, maar dat was niet erg. Dat ze mee mochten doen was al een overwinning op zich.

Hoe anders is dat nu. De renners van datzelfde ploegje doen allang niet meer mee voor spek en bonen. Zondag won John Degenkolb Milaan-San Remo, en dat was niet eens een verrassing.

Ideale schoonzonen

Natuurlijk, er zijn de afgelopen jaren nieuwe renners aangetrokken. En veelwinnaars zoals Marcel Kittel en John Beton rijden niet rond voor dezelfde minimumsalarissen als de renners uit de Tourselectie van 2009. Maar het raamwerk van de ploeg is in grote lijnen nog hetzelfde als zes jaar terug.

Met dezelfde manager - Iwan Spekenbrink. Met een klein clubje begeleiders. En veelal met dezelfde renners: lieve jongens en ideale schoonzonen. (Zeg nou zelf: welke schoonmoeder zou er niet blij zijn als haar dochter thuis kwam met Marcel Kittel en zijn kuif? Of met Tom Veelers en zijn bouwvakkershanden?)

De ploeg is jaar na jaar, beetje bij beetje, stapje voor stapje, gegroeid. Er werd niet gesmeten met miljoenen, er werden geen dubieuze renners gehaald om snel succes op de korte termijn te scoren, er werden geen onmogelijke resultaten geëist. Spekenbrink koos voor een langetermijnvisie en hield eraan vast. En dat in een wereld waarin ploegen moeten spartelen om het hoofd boven water te houden, waarin elk seizoen het laatste kan zijn.

Giant rijdt in elke koers met één plan en één kopman. De rest cijfert zich weg. Niet een beetje, of voor 95 procent, maar helemaal. Neem die sprinttrein van ze. Op papier is het onmogelijk dat Albert Timmer, Roy Curvers en Koen de Kort op kunnen boksen tegen Tony Martin, Niki Terpstra en Mark Renshaw, maar in de praktijk gebeurt het wel degelijk.

Debiel goed

Het klinkt ontzettend cliché en corny, die uitgebreide bedankjes aan de ploeg als een van de Duitse betonblokken weer eens een massasprint gewonnen heeft, maar het is nog echt waar ook: er is geen team dat zijn sprinter zó vaak goed afzet in de laatste tweehonderd meter als Giant.

De resultaten van de afgelopen drie jaar spreken voor zich. Acht Touretappes, vier Giro-ritten, twaalf Vuelta-etappes, Gent-Wevelgem en Milaan-San Remo. En nul positieve plasjes. Dat is debiel goed. Dat is weergaloos knap.

Dat is iets om bij stil te staan, om over na te denken, en om je hoed voor af te nemen.

*Auteur Thijs Zonneveld is een ex-wielrenner. Hij werkt als sportverslaggever bij het AD en schrijft daarnaast columns voor NUsport.nl.*