Nederland mag bij de Winterspelen in Sotsji maximaal tien schaatsers en tien schaatssters afvaardigen. Bij het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) in Thialf (26 tot 30 december) wordt aan de hand van een aanwijsvolgorde bepaald welke rijders in Rusland van start mogen gaan. Wat is de aanwijsvolgorde. Hoe werkt deze? En wie zijn er al zeker van een ticket? Het artikel wordt na elke afstand ververst.

Na de Winterspelen van 2010 in Vancouver, waar in de kwalificatie werd gewerkt met een prestatiematrix, besloot sportkoepel NOC*NSF het nominatie- en kwalificatiesysteem voor het langebaanschaatsen af te schaffen.

Samen met schaatsbond KNSB werd voor een olympische 'trial' van vijf dagen gekozen om het gevoel van de Olympische Spelen (met één duidelijk piekmoment) zo goed mogelijk na te bootsen. Dat is dus het OKT.

Omdat Nederland echter over meer getalenteerde schaatsers met reële podiumkansen beschikt dan het startbewijzen heeft, werd de aanwijsvolgorde in het leven geroepen. Dankzij een wiskundig model (gebaseerd op de resultaten bij de World Cup-wedstrijden en de WK afstanden van de afgelopen twee seizoenen) werd per afstand bepaald waar Nederland de grootste medaillekansen heeft. Hoe groter de medaillekans, hoe hoger de plaats op de aanwijsvolgorde.

In de aanwijsvolgorde zijn alle achttien Nederlandse startplekken in Sotsji (vier op de 500, 1000 en 1500 meter en drie op de 3000/5000 en 5000/10.000 meter) ingevuld die uiteindelijk door de tien schaatsers en tien schaatssters verreden worden. De afstand met de grootste medaillekans wordt als eerste ingevuld met de winnaar van die afstand bij het OKT. Zo wordt de lijst verder naar beneden ingevuld tot er tien namen, exclusief dubbelingen, op staan.

De aanwijsvolgorde:

Mannen
1. 10.000 meter - Nr. 1: Sven Kramer
2. 5000 meter - Nr. 1: Sven Kramer

3. 10.000 meter - Nr. 2: Jorrit Bergsma
4. 5000 meter - Nr. 2: Jorrit Bergsma
5. 500 meter - Nr. 1: Michel Mulder
6. 1500 meter - Nr. 1: Mark Tuitert
7. 1000 meter - Nr. 1: Stefan Groothuis
8. 10.000 meter - Nr. 3: Bob de Jong
9. 1000 meter - Nr. 2: Michel Mulder
10. 500 meter - Nr. 2: Ronald Mulder
11. 5000 meter - Nr. 3: Jan Blokhuijsen
12. 500 meter - Nr. 3: Jan Smeekens
13. 1000 meter - Nr. 3: Mark Tuitert
14. 1500 meter - Nr. 2: Koen Verweij

-----

15. 500 meter - Nr. 4: Jesper Hospes
16. 1000 meter - Nr. 4: Thomas Krol
17. 1500 meter - Nr. 3: Stefan Groothuis
18. 1500 meter - Nr. 4: Sven Kramer

Vrouwen
1. 1500 meter - Nr. 1: Ireen Wüst
2. 1500 meter - Nr. 2: Lotte van Beek
3. 3000 meter - Nr. 1: Ireen Wüst
4. 1000 meter - Nr. 1: Lotte van Beek
5. 3000 meter - Nr. 2: Antoinette de Jong
6. 1500 meter - Nr. 3: Jorien ter Mors
7. 5000 meter - Nr. 1: Carien Kleibeuker
8. 1000 meter - Nr. 2: Marrit Leenstra
9. 3000 meter - Nr. 3: Annouk van der Weijden
10. 500 meter - Nr. 1: Margot Boer
11. 5000 meter - Nr. 2: Ireen Wüst
12. 5000 meter - Nr. 3: Yvonne Nauta
13. 1500 meter - Nr. 4: Marrit Leenstra
14. 1000 meter - Nr. 3: Ireen Wüst
15. 500 meter - Nr. 2: Laurine van Riessen

-----

16. 1000 meter - Nr. 4: Margot Boer
17. 500 meter - Nr. 3: Thijsje Oenema
18. 500 meter - Nr. 4: Annette Gerritsen

Op de aanwijsvolgorde bestaan echter enkele uitzonderingen omdat de KNSB zowel bij de mannen als de vrouwen drie potentiële aanwijsplekken in het leven heeft geroepen. Twee aanwijsplekken zijn in eerste instantie bedoeld om te waarborgen dat de beste schaatsers voor de ploegenachtervolging ook daadwerkelijk naar Sotsji kunnen afreizen.

De derde aanwijsplek per sekse is bedoeld om calamiteiten op te vangen. Wat een calamiteit is, wil de KNSB van tevoren echter niet specificeren. Dit kan in theorie dus van alles zijn. Van een lichte griep of een valpartij tot een fout op de kruising, of een dronken fan die het ijs betreedt en een schaatser hindert.

Mocht er geen of slechts één aanwijsplek voor de ploegenachtervolging gebruikt worden, dan heeft de KNSB het recht gereserveerd om eventueel nog een tweede aanwijsplek voor een calamiteit te gebruiken.

Overigens maken niet alle schaatsers aanspraak op een aanwijsplek voor de ploegenachtervolging. De KNSB heeft bepaald dat schaatsers de afgelopen twee seizoenen een belangrijk onderdeel moeten zijn geweest van de ploeg om voor een aanwijsplek  in aanmerking te komen, met een maximum van drie per sekse.

Bij de mannen kunnen daardoor Sven Kramer, Koen Verweij en Jan Blokhuijsen zich eventueel beroepen op een aanwijsplek. Bij de vrouwen is die ruimte gereserveerd voor Ireen Wüst, Marrit Leenstra en Linda de Vries.

Mocht bij één van beide sekse, of bij allebei, het maximum van drie aanwijsplekken tijdens het OKT worden ingevuld, dan betekent dit meteen dat er nog maximaal zeven namen zich via de aanwijsvolgorde kunnen kwalificeren voor de Winterspelen. Dat zijn de eerste zeven namen die dan op de lijst staan.

Een schaatser mag tijdens de Winterspelen alleen deelnemen aan de ploegenachtervolging als hij of zij ook in actie komt op tenminste één individuele afstand. Iemand die aangewezen wordt voor de achtervolging zal dus ook één van de beschikbare plekken op een individuele afstand dienen te krijgen toegewezen.

De volledige selectie zal officieel pas op 31 december, een dag na het OKT, bekend worden gemaakt door de KNSB. Eerder dan 1 januari zal NOC*NSF de twintig vanuit de KNSB voorgedragen schaatsers niet bevestigen als atleten die naar de Spelen gaan.