De gemeente Raalte gaat vooralsnog geen geld uittrekken voor het ondergronds leggen van hoogspanningslijnen. Het college vindt het plan van de Rijksoverheid 'onacceptabel'.

Wel heeft de gemeente zich aangesloten bij een platform die het Rijk op andere gedachten probeert te brengen.

Het plan van minister Kamp houdt in dat 25 procent van de kosten door de gemeente opgehoest moet worden. Aangezien het in Raalte om 1,5 kilometer gaat, zou dat betekenen dat de gemeente 1,5 miljoen euro moet uittrekken voor het ondergronds leggen van de kabels.

"Dat vinden wij in deze tijden niet verantwoord en de werkgroep die in Raalte is opgezet is het wat dat betreft ook met ons eens", licht wethouder Wout Wagenmans het besluit toe. "Dit geld heeft de gemeente niet beschikbaar. Wel willen wij, samen met bewoners, actief meedenken over andere mogelijkheden om de financiering rond te krijgen."

"Ook sluit de gemeente zich aan bij het landelijk gemeentelijk Platform Hoogspanning. De contributie daarvan bedraagt 3.500 euro per jaar. Dat platform gaat onderhandelen met het Rijk om een betere oplossing voor de financiering van de verkabeling te vinden."

Programma

De Rijksoverheid is bezig met een programma om hoogspanningsleidingen in woonkernen ondergronds te brengen en te verkabelen. Deze regeling gaat 1 januari 2017 in.

Een gemeente komt in aanmerking voor een bijdrage van het Rijk als er minimaal 1 kilometer aan hoogspanningslijnen over een woonwijk loopt. In Raalte-Zuid is dit het geval met ongeveer 1,5 kilometer. Ook 49 andere gemeenten in Nederland komen in aanmerking voor de regeling van het Rijk.

Kosten

De kosten voor het verkabelen van het tracé van 1,5 kilometer in Raalte worden geschat op circa 4,9 miljoen euro. Het Rijk draagt hier 75 procent aan bij. Raalte is zelf verantwoordelijk voor de resterende 25%, wat neerkomt op een bedrag van ongeveer 1,23 miljoen euro. 

De inschatting is, dat de totale kosten voor het ondergronds krijgen van de hoogspanningskabels voor de gemeente uiteindelijk uitkomen op 1,5 miljoen euro, door bijkomende onderzoeks-, herinrichtings- en plankosten