Het onderzoek naar de vliegenoverlast in Rotterdam-Heijplaat is afgerond. De bewoners krijgen vrijdag een brief op de mat. Uit het onderzoek komt naar voren dat het om een complex probleem gaat en dat vervolgonderzoek nodig is om met zekerheid vast te stellen waar de vliegen vandaan komen.

Volgens de onderzoekers van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) is het niet zo simpel om de bron en de oorzaak van de vliegenoverlast te achterhalen omdat er veel verschillende factoren meespelen. Het KAD voert het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Rotterdam.

Er is overlast van drie verschillende soorten vliegen: de kleine kamervlieg, de gewone kamervlieg en de vleesvlieg. Met name de eerste twee blijken veel voor te komen op Heijplaat.

Volgens omwonenden is de overlast de schuld van lokale afvalverwerker Suez, maar dat is in het onderzoek nog niet vastgesteld. Uit eerder onderzoek bleek dat veel vliegen ook bij de kinderboerderij vandaan komen.

Omdat eerdere onderzoeken vooral een momentopname waren, is door de gemeente opdracht gegeven om de vliegenpopulatie voor een langere tijd te monitoren. Dit is uiteindelijk van halverwege juni tot halverwege september gedaan.

KAD plaatst vallen op dertien plekken

Het KAD heeft op dertien plekken in de wijk vallen neergezet met een lokvloeistof. De vleesvlieg en de kleine kamervlieg werden het meest gevangen in de vallen. Dit is opmerkelijk volgens de onderzoekers, omdat inwoners van Heijplaat juist klagen over de gewone kamervlieg in en rondom hun huizen.

De hoogste aantallen gewone kamervliegen werden weliswaar gemeten op het terrein van afvalverwerker Suez, maar volgens de onderzoekers is het onwaarschijnlijk dat deze vliegen vanaf daar worden aangevoerd en overlast in de wijk veroorzaken.

"Het aantal exemplaren is te laag, de af te leggen afstand te groot en er vindt verspreiding plaats", is te lezen in de onderzoeksresultaten. 

Advies van het KAD aan de gemeente is om het onderzoek voort te zetten. Er moet een doelgericht monitoringplan komen en ook de bewoners moeten hierbij worden betrokken. Daarnaast moet een referentiegebied worden aangewezen om de situatie te kunnen vergelijken, bijvoorbeeld een locatie in Pernis of Charlois.