Op 20 maart zijn de Provinciale Statenverkiezingen. Niet alleen worden dan de provinciale volksvertegenwoordigers gekozen, de verkiezingen zijn ook bepalend voor de samenstelling van de Eerste Kamer en dus ook voor de stabiliteit van het kabinet-Rutte III. Ook de leden van de algemeen besturen van waterschappen worden dan gekozen. Lees hier alles wat je moet weten over de aankomende verkiezingen.

Waar brengen we onze stem op uit?

Bij de Provinciale Statenverkiezingen kiezen we de vertegenwoordigers in het provinciaal bestuur. Zij zijn verantwoordelijk voor beleid dat net iets te klein is voor de Rijksoverheid en net iets te groot voor de gemeenten.

Deze verkiezingen vinden om de vier jaar plaats. Op het stembiljet breng je een stem uit op een kandidaat-Statenlid van jouw provincie.

Hoeveel Statenleden een provincie heeft, hangt af van het aantal stemgerechtigde inwoners. Zo telt de provincie Zeeland 39 Statenleden en de provincie Gelderland 55 leden.

De Statenleden kun je zien als een soort provinciale Tweede Kamerleden. Zij controleren het provinciaal bestuur dat bestaat uit de Gedeputeerde Staten en de commissaris van de Koning. Net als ministers in een kabinet of wethouders in het dagelijks bestuur van een gemeente, hebben gedeputeerden een eigen beleidsportefeuille. De voorzitter van het college van Gedeputeerde Staten is de commissaris van de Koning, maar die wordt niet gekozen. De commissaris van de Koning wordt door de Kroon benoemd voor een periode van zes jaar.

De provincies houden zich voornamelijk bezig met ruimtelijke ordening, infrastructuur en natuur- en milieubeleid. Zij zullen bij de uitwerking van de klimaatplannen van het kabinet dan ook een belangrijke rol spelen.

En hoe zit het met de waterschappen?

Op 20 maart brengen we ook een stem uit op de leden van de algemeen besturen van de waterschappen, de oudste bestuurslaag van het land. Nederland telt 21 waterschappen met het waterbeheer als primaire taak. Te denken valt aan de kwaliteit van het water, maar ook de veiligheid van de dijken.

Een waterschap kent een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. In het algemeen bestuur zitten niet alleen de ongeveer dertig gekozen leden, maar er is ook een gereserveerd aantal zetels voor vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, boeren en natuurclubs. Op de samenstelling van deze 'geborgde zetels' heeft de kiezer geen invloed.

Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de plannen van het algemeen bestuur. De voorzitter van een waterschap is de dijkgraaf. Ook hij wordt niet democratisch gekozen, maar door de regering benoemd voor een periode van zes jaar.

Normaal gesproken horen we niet veel over de waterschappen, maar door de klimaatverandering en de opwarming van de aarde rijst de vraag of en op welke manier het waterbestuur een grotere rol moet krijgen.

Onlangs merkten D66 en GroenLinks op dat de waterschappen te veel door "boerenbestuurders gedomineerd" worden. Zo stellen de twee partijen dat het grondwaterpeil onder druk van de melkveehouderij kunstmatig laag wordt gehouden waardoor de grond inklinkt. Dat is niet alleen slecht voor de fundering van huizen, maar leidt ook tot een aanzienlijke CO2-uitstoot.

Hier vind je onze stemhulp per waterschap

Maar het draait om de Eerste Kamer en de toekomst van Rutte-III

Terwijl in het stemhokje dus gekozen kan worden voor de Provinciale Staten en de waterschappen, ontbreekt het stembiljet voor de verkiezing waar het echt om draait: de samenstelling van de Eerste Kamer.

Gedurende de verkiezingscampagne zullen de landelijke partijleiders en fractievoorzitters van de partijen geregeld in de campagnestand staan, omdat de uitkomst van de provinciale verkiezingen bepalend is voor de zetelverdeling in de senaat. Want de Provinciale Statenleden brengen bij de Eerste Kamerverkiezingen, die op 27 mei plaatsvinden, hun stem uit op senatoren van hun eigen partijkleur.

De Eerste Kamerleden worden dus niet rechtstreeks door de bevolking gekozen, maar ze spelen wel een steeds belangrijkere rol in het parlementair stelsel. Senatoren hebben namelijk het laatste woord in het wetgevingsproces. Wetten en regels van het kabinet of de Tweede Kamer worden in laatste instantie goedgekeurd door de senaat. Met de komst van steeds meer politieke partijen en steeds kleinere fracties, wordt het steeds moeilijker om meerderheidscoalities te vinden, ook in de senaat.

En hoewel de senatoren in de Eerste Kamer zichzelf graag zien als een chambre de réflexion, waar nog eens goed gekeken wordt naar de noodzaak, uitvoerbaarheid en juridische haalbaarheid van wetten, blijkt in de praktijk dat de Eerste Kamerfracties voor het overgrote deel meestemmen met de politieke lijn van de Tweede Kamerfracties.

Voor de slagkracht van het kabinet-Rutte III is het dan ook van groot belang dat de coalitie van VVD, CDA, D66 en CU - die momenteel 38 van de 75 senaatszetels bezet - de meerderheid behoudt.

Maar een blik op de gewogen peilingen en de uitkomsten van de recente gemeenteraadsverkiezingen, leert dat de coalitiepartijen er ernstig rekening mee moeten houden dat de coalitie de meerderheid kan verliezen.

Dat zou betekenen dat het kabinet voor steun voor de plannen over de aanpak van klimaatverandering, het pensioenstelsel en alle andere plannen zal moeten aankloppen bij de oppositiepartijen. Hoe groot dat probleem zal worden, valt te bezien. Premier Mark Rutte (VVD) heeft in zijn vorige kabinetten al de nodige ervaring opgedaan met regeren met een senaatsminderheid.