Alle inkomensgroepen gaan er volgend jaar meer op vooruit dan verwacht, maar de laagste inkomens blijven het minste profiteren. Dat blijkt uit koopkrachtberekeningen van het ministerie van Sociale Zaken.

Na de nieuwe maatregelen gaan de laagste inkomens er 1,1 procent op vooruit. Dat ligt hoger dan de prognose van het Centraal Planbureau (CPB) in augustus, die op 0,7 procent lag.

Desondanks blijft dit nog flink achter bij de andere inkomens. Die zien de koopkracht naar verwachting stijgen met 1,6 tot 1,7 procent. Ook dat laatste cijfer ligt hoger dan de eerdere prognose van het CPB (1,4 procent).

Het verschil ontstaat onder meer doordat het kabinet inzet op het verlagen van de belastingen op arbeid. Mensen met lagere inkomens die weinig of soms geen belasting betalen, zoals studenten, profiteren hier een stuk minder van.

Voor maar weinig mensen koopkrachtdaling voorspeld

De koopkrachtcijfers zijn verwachtingen onder gelijke omstandigheden. In de cijfers wordt geen rekening gehouden met bijvoorbeeld een loonsverhoging, het vinden van een nieuwe baan of het krijgen van een kind. In de praktijk vinden mensen in een aantrekkende economie bijvoorbeeld makkelijker een nieuwe baan.

Voor zo'n 96 procent van de Nederlanders wordt een koopkrachtstijging voorspeld. Sinds 2011 is dit percentage niet zo hoog geweest. Het gemiddelde huishouden gaat er ongeveer 1,5 procent op vooruit. Uitkeringsgerechtigden blijven hieronder met 0,9 procent.

Vooral modale inkomens gaan erop vooruit

De hoogste stijging is te zien bij ouderen die AOW ontvangen met 30.000 euro aan aanvullend pensioen. Die zien de koopkracht naar verwachting stijgen met 2,7 procent. Modale inkomens zien verder de koopkracht groeien. Zo gaat een alleenverdiener met kinderen die modaal vedient er 2,2 procent op vooruit.

Alleenstaande ouders met kinderen merken met een toename van 0,3 procent het minste van de koopkrachtstijgingen. Ook alleenstaande sociale minima zien de koopkracht met 0,9 procent maar relatief weinig stijgen.